?>

Lesbrieven

Jaargang 5
Lesbrief 5.1 - Een nieuw begin

door Kim Nataraja

We lazen eerder hoe Abba Mozes aan Cassianus en Germanus duidelijk maakte dat het Hemels Koninkrijk de uiteindelijke bestemming is van ons spirituele leven. Van Jezus’ onderricht in Marcus (1:15) weten we dat Gods Koninkrijk binnen en onder ons is. Daarom verwijst het naar een  bewustzijn van een goddelijke aanwezigheid. De weg daarheen is, zoals Evagrius ons vertelde, het uitzuiveren van emoties door aandacht te hebben voor wat dagelijks in en buiten ons leeft, zodat we uitkomen bij een ‘zuiver hart’ (aldus Abba Mozes).

De eerste stap op onze geestelijke weg is echter een geloofsprong. John Main zegt dat meditatie een geloofsweg is omdat hij begreep dat we tijdens meditatie ‘onszelf moeten loslaten voordat de Ander verschijnt en zonder enige garantie dat de Ander daadwerkelijk zal verschijnen’. Het is een intuïtief vertrouwen dat er meer is dan alleen maar de materiële  werkelijkheid. In de stilte van de meditatie realiseren we ons dat we dit ‘meer’ kunnen ervaren, het goddelijke deel van ons wezen en onze verbinding met de goddelijke realiteit. Dit kunnen we niet met onze rationele geest.

Laurence Freeman merkt op in Aspects of Love: “Johannes zegt dat God nooit gezien werd. Met andere woorden, God kan nooit een object zijn buiten onszelf … we moeten naar dat niveau van ons wezen toe – het hart, de geest –, waar niets buiten ons is, waar we weten dat we in relatie, in de kosmische dans, met alles wat is, in God zijn.” John Main  zegt: “De reden voor onze meditatie is open te komen voor de goddelijke realiteit, die ons nader is dan onszelf.”

De tweede stap is de moeilijke weg gaan – het smalle pad -, waar we het zelf achterlaten. Maar zoals we uit ervaring weten vraagt het moed onze gedachten en beelden, ons ‘ego’ achter te laten, het gemak van onze conditionering, ons identiteitsgevoel en individualiteit, gecreëerd met onze gedachten, te laten gaan – hoewel tijdelijk. Onze groei is afhankelijk van onze relatie met onze gedachten. We moeten echter niet vergeten dat we niet alleen zijn op deze reis. Het is een reis van inspanning én genade. Het spirituele deel van ons wezen, de innerlijke Christus, helpt ons met inzicht en leiding, die we in de stilte ontvangen. Hoe meer we volharden in de meditatiebeoefening, hoe meer we dit ervaren.

Laat ik nog eens de verschillende manieren samenvatten, waarop ons ego probeert te verhinderen dat we de stilte betreden en zijn controle achterlaten. Op het moment dat we proberen te mediteren, gaat onze rationele oppervlakkige geest, het ego, in de tweede versnelling en overspoelt onze geest met gedachten. We wisten nooit hoeveel gedachten er door onze geest spookten totdat we gingen zitten en ons focuste op ons gebedswoord. Bovendien zijn deze gedachten zo alledaags en oppervlakkig dat ze ons doen huiveren. Een behoorlijk doeltreffende les in nederigheid! Dan probeert het ego ons echt te verleiden om niet de stilte in te gaan die op ons wacht. We horen haar/zijn stem, die zegt: “Dit is zo saai, slechts één woord herhalen!” Als dit ons niet weerhoudt, komt de gedachte: “Zit hier niet zomaar, ga wat doen! Een geestelijk boek lezen zou zoveel beter zijn!” Mediteer je nog steeds? Dan horen we fluisteren: “Is dit echt de juiste mantra?” of zelfs “Is dit het juiste soort meditatie?” Een spirituele vlinder worden lijkt echt de enige weg te zijn. Als je volhoudt, probeert het ego je frustratie over al deze gedachten en je waargenomen mislukking bij de meditatie te projecteren en zegt: “Een betere groepsleider zou kunnen helpen!” Als geen van deze gedachten je hebben doen stoppen, dan is er een die erg effectief is: “Dit is genotzuchtig. Je zou anderen moeten helpen in plaats van naar binnen te keren. We hebben geen contemplatie nodig, we moeten actief zijn in de wereld!” De laatste aanval is ‘heilig dommelen’, hetgeen ons verraderlijk doet geloven dat we de beloofde vrede en stilte hebben bereikt. Toch is het enige wat we hoeven te doen dit alles accepteren en ons realiseren dat het van het ego komt. Het zijn slechts gedachten, niet de waarheid. Het is allemaal vervlochten in periodes van stilte, die ons bemoedigen vol te houden.

We hebben al onderzocht hoe deze stilte verbroken kan worden door opkomende emoties, die je in het verleden vaak onderdrukt had: plotselinge tranen, gevoelens van irritatie, golven van boosheid, verveling, gevoelens van dorheid en zinloosheid. En het ego denkt dan dat ie een troef heeft: “Waarom zou je je achteraf slecht voelen?”

Het laatste type gedachten, dat het ego gebruikt om te voorkomen dat we zijn/haar invloedssfeer verlaten zijn het moeilijkst, omdat ze gebaseerd zijn op onze wonden veroorzaakt zijn door echte of vermeende onvervulde overlevingsbehoeften in onze kindertijd: “God kan niet onvoorwaardelijk van je houden. Je bent niet beminnenswaardig! Bovendien bestaat er niet zoiets als onvoorwaardelijke liefde!” Deze gedachten spelen in op het gemis van liefde in je kindertijd. Net zo doeltreffend is de vraag: “Heb je wel controle?” vergezeld van “ik weet niet of dit wel veilig is!” een gevoel dat je behoefte aan controle en veiligheid je wordt aangerekend. Misschien werd je niet gewaardeerd of gerespecteerd en dan zou deze vraag kunnen werken: “Niemand bidt zo. Je bent de enige die vreemd doet!” en “Zo bidden mijn ouders niet. Ik moet loyaal zijn.”

Met goddelijke leiding tenslotte wordt de stem van het ego tot zwijgen gebracht en overstegen. Nu kan het gebed van Paulus voor ons werkelijkheid worden: “onze innerlijke ogen mogen verlicht worden” zodat we de Goddelijke Werkelijkheid kunnen ervaren en daarbij weten dat dit de hele mensheid en schepping omvat. Zo herinneren we ons dat we allemaal “kinderen van God zijn” (2 Kor 7) en dat “het bewustzijn dat in Christus was, ook in ons is” (Fil 2,5)

Lesbrief 5.2 - Bewustzijn

door Kim Nataraja

De vorige brief eindigde ik met Filippenzen 2,5: “het bewustzijn dat in Christus was, is ook in ons.” Maar wat bedoelen we met bewustzijn, laat staan met het bewustzijn van Christus?

Jaren geleden las ik een citaat van de Engelse psycholoog Stuart Sutherland: “Bewustzijn is een fascinerend maar ongrijpbaar fenomeen. Er is nog niets over geschreven, dat de moeite van het lezen waard is.” Sindsdien is er met name door Francis Crick (die de structuur van het DNA bekend maakte) wat onderzoek gedaan naar visueel bewustzijn, maar dat is slechts een klein aspect van het hele veld. Recentelijk is verder onderzoek gedaan naar het effect van meditatie op het brein, hetgeen ik in een eerdere brief citeerde uit Dr. Shanida Nataraja’s boek The Blissful Brain. We zagen het enorme belang van het effect van aandacht op bepaalde gebieden van het brein. Eenpuntige aandacht schakelt het gebied uit dat te maken heeft met gedachten, beelden en dagdromen, met andere woorden een van de functies van het egodeel van ons bewustzijn. Het heeft ook effect op een ander egodeel dat te maken heeft met emotionele reacties: de sterke overlevingsreactie ‘vluchten of vechten’ verandert in acceptatie, ontspanning en rust.

Het meest interessante voor onze huidige discussie is het effect op de pariëtale cortex. Deze herbergt twee belangrijke delen van de cortex (= hersenschors): de oriëntatie-associatie cortex en de verbaal-conceptuele cortex. De eerste wordt geassocieerd met oriëntatie in tijd en ruimte en het creëren van grenzen: zelf/niet-zelf en de wereld van tegenstellingen, terwijl de tweede de mogelijkheid geeft onze ervaring in woorden uit te drukken – in feite zijn het beide kwaliteiten van het ‘ego’. Eenpuntige aandacht veroorzaakt een afname van activiteit in de pariëtale cortex en leidt zodoende tot vermindering van beide mogelijkheden. Dit verklaart waarom we het gevoel van afgescheidenheid verliezen – tijd en ruimte verdwijnen en alle tegenstellingen verenigen zich. Dit leidt tot een gevoel van verbondenheid met alles en iedereen om ons heen en tegelijkertijd tot het onvermogen deze ervaring duidelijk aan anderen uit te leggen.

Het belang van deze opeenvolging van effecten voor verschillende delen van het brein door aandacht is dat het initiatief voor deze veranderingen het gevolg is van ons huidige bewustzijn en onze wil: door eenpuntige aandacht geven we het brein doelbewust een impuls over te gaan naar een andere wijze van perceptie. Het is interessant te zien hoe ons egobewustzijn, met zijn overlevingsbehoefte op dit materiële vlak, in het brein wordt omgeschakeld, maar slechts tijdelijk kan worden omzeild. Door het ego te omzeilen openen we ons voor het alomvattende deel van ons bewustzijn op basis van intuïtie en een bredere contextuele ervaring. Dit herkennen we dan als ons ‘ware zelf’. Het is dit deel van ons wezen dat ons in staat stelt ons te verbinden met het bewustzijn van Christus en daarmee met de Goddelijke Realiteit. Door deze kant van ons wezen te gebruiken, “zuiveren we de deuren van perceptie en zien we de werkelijkheid zoals die is, oneindig!” (William Blake) In feite keren we terug naar onze oorspronkelijke natuur, die verweven is met de rest van de schepping en het kosmisch Al.

Dit verklaart echter niet wat bewustzijn is. We weten niet echt wat het is, maar we kunnen wel het effect ervan zien. Het probleem is dat we niet te maken hebben met een voorwerp dat we in een laboratorium kunnen testen. We hebben te maken met iets dat alleen ervaren kan worden en we zagen hoe moeilijk het is om deze ervaring te verwoorden. Uiteindelijk is het antwoord op het probleem van bewustzijn nog steeds hetzelfde als Aristoteles lang geleden gaf: “Ik weet dat ik het niet weet.”

De mystieke traditie kan slechts zinspelen waarop die ervaring lijkt en het behoeft vele beschrijvingen om het uit te leggen. Een aantal voorbeelden hiervan: ‘omhuld worden door liefde’, ‘omgeven worden door licht’, ‘een voelen met alles om ons heen’. De gemeenschappelijke factor is een intuïtief gevoel van eenheid met de kosmos vergezeld door gevoelens van verwondering en overgave. Ook Jezus moest zijn toevlucht nemen tot parallellen en parabels om zijn eigen ervaring van het Koninkrijk, de ervaring van de Goddelijke Aanwezigheid, begrijpelijk te maken.

Het enige wat we kunnen doen is volhouden met een toegewijde, trouwe meditatiebeoefening, die ons op verschillende momenten op de geestelijke weg een glimp zal geven van wat ons te wachten staat, totdat we onze emoties volledig uitgezuiverd hebben en de Goddelijke Aanwezigheid vaker kunnen binnengaan. We moeten dan, net als Jezus na de transfiguratie, de berg afdalen om iedereen in liefde te dienen.

Lesbrief 5.3 - Terug naar het begin

door Kim Nataraja

Nadat we de ‘bergtop’ hebben beschreven is het tijd om terug te keren naar het marktplein. Laten we opnieuw de woestijnvaders en –moeders bezoeken, die John Main zo geïnspireerd hebben via de geschriften van Johannes Cassianus.

In de 4de eeuw trokken vele christenen naar de Egyptische woestijn om daar een authentiek godsdienstig leven te leiden. Dit moet vooral gezien worden als een reactie op de situatie waarin het christendom zich bevond vlak nadat het de officiële godsdienst van het Romeinse Rijk werd. Toen Constantijn in 312 na zijn bekering bij een treffen bij de Milvische Brug aankondigde zich tolerant op te stellen ten aanzien van het christelijke geloof en vervolgens het resultaat van  het Concilie van Nicea in 325 ondersteunde, groeide het aantal praktiserende christenen in de volgende decennia van drie tot dertig miljoen. Het loonde aanmerkelijk christen te worden omdat Constantijn geld pompte in het bouwen van kerken en de  bisschoppen financieel ondersteunde. Het veranderde het hele karakter van de vroege kerk. Johannes Chrysostomus uitte zijn ontsteltenis bij deze verandering tamelijk krachtig  in zijn Homilieën in Efeze: “ Plagen die wemelen van onnoemelijk onheil zijn over de kerken gekomen. De aanvankelijke essentie is verhandelbaar geworden. Buitensporige rijkdom, enorme macht en weelderigheid verwoesten de integriteit van de Kerk.” Niet alleen waren sommige toegewijde christenen verstoord door de positie die het christendom nu innam, maar ze waren ook verbijsterd door de toegenomen decadentie van de samenleving: “De samenleving werd (door de woestijnvaders) beschouwd als een schipbreuk en iedereen moest zwemmen voor zijn leven.” (Thomas Merton) Dit deed hen besluiten om de boodschap van het evangelie te gaan beleven in de eenzaamheid van de Egyptische woestijn met de uitspraak van Paulus als hun leefregel: “Stem je gedrag niet af op deze wereld, maar wordt andere mensen met een nieuwe visie.” (Romeinen 12,2)

 Bovendien zagen de vroege christenen het martelaarschap als een weg om Christus waarlijk te volgen. Toen Constantijn het christendom had geaccepteerd, hield vervolging op. Degenen die ervoor kozen zich terug te trekken in de woestijn vonden dat alles opgeven wat essentieel was in het leven – familie, trouwen, een actieve functie in de gemeenschap en bezit – een alternatieve vorm van martelaarschap was. The Life of Pachomius beschrijft de invloed die de martelaren hadden op het geloof van de christenen en het leven dat ze wilden leiden: “In elk land nam het geloof sterk toe in kerken en kloosters en er ontstonden verblijfplaatsen voor asceten, de eerste monniken die het uithoudingsvermogen van de martelaren hadden gezien.”

Bovendien is er in de joods-christelijk traditie altijd al een sterke neiging geweest om zich terug te trekken uit het gewone leven naar de woestijn; we hoeven alleen maar te denken aan Mozes, Elia, Johannes de Doper en Jezus zelf. Ook over Paulus wordt gemeld dat hij drie jaar lang in Arabië verbleef na zijn visionaire ervaring van Jezus op weg naar Damascus om deze openbaring te leren begrijpen. Voor spirituele zoekers vertegenwoordigde de woestijn niet alleen een symbool van maar ook een werkelijke manifestatie van God; het was  immens, overweldigend, grandioos, onbegrensd, onbeschrijfelijk en veroorzaakte een onmiddellijke reactie van verwondering, de enige gepaste reactie op het Goddelijke: “Alleen verwondering kan Zijn onbegrijpelijke kracht begrijpen.” (Gregorius van Nyssa)

Het verlangen naar retraite en intensivering van iemands spirituele beoefening was echter niet alleen maar een reactie op de situatie, waarin de vroege christenen zich bevonden; het lijkt ook een natuurlijke ontwikkeling te zijn die geleidelijk aan plaatsvindt op het spirituele pad. Wij trekken ons ook terug in de stilte en de eenzaamheid van ons hart elke keer dat we mediteren.

Volgens de verhalen was Marcus een leerling van zowel Petrus als Paulus, terwijl ze rond de Middellandse Zee zwierven om de blijde boodschap te brengen. Hij was in Rome als volgeling van Petrus, waar hij door hem werd gewijd. Hij trok verder naar Afrika en met name naar Alexandrië, waar hij bisschop werd en in 68 AD de marteldood stierf. De Koptische Kerk ziet Marcus daarom als haar stichter. Zijn onderricht was grotendeels gebaseerd op dat van Petrus, hetgeen tot op zekere hoogte de oorspronkelijke benadering van het christelijke geloof van de Kopten verklaart. De vroege koptische kluizenaars in de Egyptische woestijn in de 4de eeuw waren vaak ongeletterd en verkregen hun Bijbelkennis mondeling – we zijn nog steeds in een grotendeels mondelinge cultuur – zij namen de Schrift letterlijk en zagen God op een uitgesproken antropomorfe manier.
Veel ontwikkelde monniken sloten zich al snel aan bij deze vroege koptische monniken. Zij waren in hoge mate beïnvloed door de leer van Origenes (ca. 184-253) en stonden daarom bekend als de ‘Origenistische’ monniken; Evagrius en Cassianus behoorden tot deze groep. In tegenstelling tot de koptische monniken geloofden zij dat de mens in wezen goed was en dat de ziel een onmiskenbare gelijkenis had met het Goddelijke. Door uitzuivering van de emoties en contemplatie waren mensen – met Christus als bemiddelaar – in staat op te stijgen tot God en zich met Hem, die niet te vangen is in gedachten, woorden en beelden, te verenigen.

Hoe verschillend hun theologie echter ook mocht wezen, hun essentiële onderricht – bewaard in korte uitspraken die diepe psychologische inzichten laten zien – was hetzelfde, daar het was gebaseerd op dezelfde praktische ervaring van een leven van diep gebed in stilte en eenzaamheid, zoals we in de volgende brief zullen zien.

Lesbrief 5.4 - Oordeel niet

Door Kim Nataraja

Een van de belangrijke lessen van Jezus en de woestijnvaders en –moeders is hun voortdurende aansporing anderen niet te oordelen. Er zijn veel tekstgedeelten in de Schrift waar Jezus ons aanraadt dit niet te doen. Ongetwijfeld ken je het gedeelte in Matheus 7:1-5 over ‘de splinter in het oog van je medemens en balk in je eigen oog’. Er zijn meer gedeelten die ik zou kunnen aanhalen – ik geloof nog 37. We lazen eerder hoe Markus het onderricht van Petrus en Paulus naar Alexandrië bracht. Omdat de woestijnkluizenaars heidenen waren was Paulus, die zichzelf ‘Apostel van de heidenen’ noemde (Rom 11:13), erg belangrijk voor hen. Vooral omdat zijn Brieven enkele decennia voordat de evangelies geschreven waren, circuleerden. Ze zouden in zijn brief aan de Romeinen (Rom 3:1-3) gelezen hebben: “Maar je hebt geen excuus om over anderen te oordelen, wie je ook mag zijn. Want met je oordeel over anderen veroordeel je jezelf, want jij doet immers precies hetzelfde.”

Tot bewustzijn komen kan pijnlijk zijn. Daarom gaat het ‘ego’ opnieuw in de weerstand en maakt dat we ons verveeld, vermoeid en rusteloos voelen: Evagrius, net als de andere woestijnvaders, noemde dit ‘de demon van acedia’ (de demon van lusteloosheid). In plaats van ons te identificeren met deze rusteloosheid, verveling of andere emoties die uit onze innerlijke worsteling voortkomen, proberen we redenen te vinden die buiten onszelf liggen. We neigen ertoe deze gevoelens van ontevredenheid te projecteren en anderen de schuld te geven voor ons doen en laten: het is de schuld van onze gemeenschap, ouders, maatschappij…. We proberen onze gevoelens en gedrag te rechtvaardigen met excuses, die ons aannemelijk lijken. In een van de verhalen van de woestijnvaders vinden we een goed voorbeeld hiervan: “Een broeder was rusteloos in de communiteit en werd vaak kwaad. Hij zei dan: ‘Ik ga ergens anders op mezelf wonen. En omdat ik dan niemand hoef te spreken of naar iemand moet luisteren, zal ik rustig zijn en zal mijn vurige woede ophouden.’ Hij ging weg en woonde alleen in een grot. Maar op een dag vulde hij zijn kruik met water en zette hem op de grond. Ineens viel hij om. Hij vulde hem opnieuw en weer viel hij. En dit gebeurde een derde maal. Woedend pakte hij de kruik op en brak hem. Toen hij tot bezinning kwam, wist hij dat de demon van woede de spot met hem gedreven had en hij zei: ‘Ik ga terug naar de communiteit. Waar je ook woont, je hebt inspanning en geduld nodig, en bovenal Gods hulp.’”

Onze neiging tot roddelen, anderen oordelen en bekritiseren laat onze eigen onopgeloste conflicten op veelzeggende wijze zien: een duidelijk teken dat we onze emoties nog niet ‘gezuiverd’ hebben. Het verbindt ons met onze conditionering, ‘onvervulde behoeften’ en de daaruit voortvloeiende verlangens. Zoals Paulus hierboven zei beoordelen en bekritiseren we anderen op gedrag dat in wezen ons eigen gedrag is. De Native American Bear Heart schrijft in zijn boek ‘The Wind is my Mother’: “Wijs nooit een vinger van minachting of oordeel naar een medemens, want als je wijst, wijzen er drie vingers terug naar jezelf.” Oordelen is echter niet alleen schadelijk voor onszelf, we zetten het beeld wat we van anderen hebben stil en ontzeggen hen zo hun mogelijke verandering, vooruitgang en groei. We zetten hen gevangen in een bepaald moment: ‘Abba Xanthias zei: “De dief hing aan het kruis en hij werd geoordeeld door een enkel woord; en Judas, een van de apostelen, verloor al zijn verdienstelijkheden in een enkele nacht en daalde uit de hemel naar de hel.” (Verhalen van de Woestijnvaders)

Meditatie helpt ons er geleidelijk bewust van te worden dat we onze eigen moeilijkheden op anderen projecteren, waardoor we niet alleen ons bewustzijn transformeren maar ook ons leven. De geschenken van meditatie worden deel van wie we zijn en helpen onze houding ten opzichte van anderen evenwichtiger te maken. Met behulp van deze leerweg zijn we geleidelijk in staat de gewone werkelijkheid, ongehinderd door emotionele lasten, conditionering en overlevingsdrift, te zien. We bereiken “zuiverheid van hart…, een volledige acceptatie van onszelf en van onze situatie. … afstand van alle misleidende beelden van onszelf, alle overdreven waardering van onze capaciteiten, om Gods wil te gehoorzamen zoals die tot ons komt.” (Thomas Merton)

Lesbrief 5.5 - Geestelijke vriendschap

door Kim Nataraja

Om zo ‘puur’ te kunnen handelen, is het cruciaal dat we bewust worden van hetgeen ons belemmert. Maar we staan er niet alleen voor: het Goddelijke in ons leidt en geneest ons door de herinneringen en de daarmee gepaard gaande kwetsuren geleidelijk aan los te laten – enkel door ze tot bewustzijn te brengen. We stellen ons hiervoor open door de stilte van diep gebed – waar meditatie toe leidt – binnen te gaan.

Maar soms heeft het Goddelijke in ons iemand anders nodig om Zijn/Haar ogen, oren en handen te zijn en dit proces te vergemakkelijken: “Hoe groot zijn de behoeften van uw schepselen op deze aarde, o God. Ze zitten daar, rustig en niets vermoedend pratend, en plotseling barst hun behoefte in al zijn naaktheid los. Dan zijn ze als bundels menselijke ellende, wanhopig en niet in staat het leven aan te kijken. En daar begint mijn taak. Men moet … het pad naar U, God,  vrij maken, en daartoe moet men een diep inzicht hebben in de menselijke ziel… ik begin aan een trage ontdekkingsreis met iedereen die naar me toekomt … En ik dank U voor de gave mensen te kunnen begrijpen.” (Etty Hillesum – Het verstoorde leven)

Ons verhaal, onze waarheid vertellen in een dagboek, aan een therapeut of aan een goede vriend(in) helpt ons bewust te worden en heeft een helend effect. Het resultaat hiervan is vaak dat het onderdrukte, afgewezen deel van onszelf geaccepteerd wordt en dus geïntegreerd in ons hele wezen. Bewustwording is de sleutel. Wakker zijn in het leven leidt ertoe dat we ons volledig potentieel realiseren en onze ware natuur herinneren.

De nadruk op niet-oordelen, waar we in de vorige brief over spraken, is gebaseerd op liefde/mededogen, zoals we kunnen lezen in Mt 25: 35-42, waar Jezus zegt: “Ik zeg jullie dit: alles wat jullie hebben gedaan voor de nederigsten onder mijn broeders/zusters, hebben jullie voor mij gedaan.” Het is essentieel steeds in gedachten te houden wat John Main zei: “Jezus heeft zijn Geest gezonden om in ons te wonen, waardoor we tempels van heiligheid worden – God zelf die in ons woont.” “Dan weten we dat we delen in de natuur van God.” In plaats van afgescheiden te zijn, delen we dezelfde grond van ons bestaan: we zijn allen ‘kinderen van God’ en het ‘Koninkrijk van God’ – de aanwezigheid van God, de innerlijke Christus – woont in ons allemaal. Als we anderen pijn doen met ons negatieve gedrag doen we onszelf net zoveel pijn en ook God, die de verbindende Liefdeskracht is.

 

John Main benadrukte steeds dat er geen beter bewijs van onze groei op het spirituele pad is dan de manier waarop we in toenemende mate liefdevol met anderen omgaan. Toen hem werd gevraagd hoe we  ons op meditatie moesten voorbereiden, legde hij de nadruk op ‘vele daden van vriendelijkheid’. Dit is echter alleen maar mogelijk als we ook onszelf, inclusief onze warboel, met compassie geaccepteerd hebben.

 

Hetzelfde verband tussen God en compassie voor anderen vinden we in het onderricht van de woestijnvaders en –moeders: “Abba Antonius zei: ‘leven en dood hangen af van onze naaste. Als we onze broeder/zuster voor ons winnen, winnen we God voor ons. Maar als we onze broeder/zuster blameren, zondigen we tegen God.”

 

Aan het eind van zijn geschrift Over Gebed benadrukt ook Evagrius dit punt in verschillende uitspraken:

“Gelukkig is de monnik die het welzijn en de groei van alle mensen met net zoveel vreugde beziet alsof het zijn eigen welzijn en groei was”.

“Gelukkig is de monnik die alle mensen beschouwt als god – na God.”

“Een monnik is iemand die zichzelf één weet met alle mensen, omdat hij steeds zichzelf lijkt te zien in iedereen.”

Laat ik eindigen met een mooie uitspraak van John Main: “Alleen wanneer we in en vanuit liefde leven, kennen we die wonderbaarlijke harmonie en integratie van ons hele wezen die ons volledig mens maakt. (De innerlijke Christus – John Main)

Lesbrief 5.6 - Onze weg terug vinden

door Kim Nataraja

In The Sayings of the Desert staat het volgende verhaal:

Een monnik in Sketis maakte een ernstige fout. De monnikenraad kwam bijeen om te overleggen wat ze met de situatie aan moesten. Omdat vader Mozes een wijs man was, stuurden ze de overste van het klooster om te vragen of hij wilde komen. Maar Mozes wilde niet. Ze zeiden: ‘Laten we een nog belangrijker persoon sturen.’ Toen vervolgens priester Isidorus aankwam, zei hij: ‘Kom, de monniken zijn bijeen gekomen, ze wachten op je.’ Toen stond Mozes op en ging naar hen toe. Vreemd genoeg droeg Mozes tijdens het lopen een mand op zijn rug. Een oude kapotte mand, tot de rand gevuld met zand en stenen. Aan alle kanten viel het er uit. De monniken die hem tegemoet kwamen lopen, vroegen daarom verbaasd: ‘Mozes, wat ben je nu aan het doen?’ Waarop hij zei: ‘Kijk, mijn fouten laten een spoor achter, maar ik zie het zelf niet. En juist vandaag ben ik naar jullie gekomen om een oordeel uit te spreken over de fout van iemand anders.’ De monniken hoorden Mozes’ woorden en zeiden niets meer tegen de broeder die de fout had gemaakt en vergaven hem.

Wanneer het ego in zijn beschermende overlevingsmodus staat, laat het ons vanuit gekwetstheid en egocentrisme negatief handelen, wat ‘fouten of zonden’ genoemd kunnen worden, zoals ook het bovenstaande verhaalt. We kunnen ons echter in de stilte van de meditatie openen voor goddelijke leiding, zodat we inzicht krijgen in onvervulde overlevingsbehoeften die wonden in ons wezen hebben veroorzaakt, onze levenshouding beïnvloeden en negatief gedrag teweegbrengen. Met hulp van de innerlijke Christus kunnen we het gedrag van het ego veranderen en op den duur zelfs overstijgen. Laurence Freeman zegt in Jesus the Teacher Within: “Jezus had een ego. Het is dus niet het ego zelf dat zondig is. Het is eigenwaan, fixatie op het ego hetgeen leidt tot het vergeten en verraden van ons ware Zelf. We dwalen als we het ego verwarren met het ware Zelf.“

We kunnen behalve met geestelijke begeleiding ook door bedachtzaam omgaan met onze gedachten, gevoelens en sensaties ons bewustzijn verruimen en zien waarom we handelen zoals we doen. Dit zal geleidelijk onze innerlijke criticus, die ervan geniet ons te beoordelen en ons meer terechtwijst dan wie dan ook, tot zwijgen brengen. Door onszelf niet te veroordelen, maar ervan bewust te zijn dat we ons laten sturen door onze negatieve neigingen – onze gewondheid –, komen we tot zelfkennis en leren we onszelf te accepteren zoals we zijn. Dit zal ons eveneens in staat stellen onszelf in anderen te herkennen, waardoor we anderen niet zo gauw meer zullen bekritiseren. Maximus de Belijder zei: “Iemand die zijn ogen niet kan sluiten voor de fouten van een vriend, of deze nu echt of aanwijsbaar zijn, bezit geen innerlijke vrijheid.” Werkelijk luisteren, werkelijk aandacht schenken aan anderen en dus het ego achterlaten opent de weg naar compassie voor iedereen. Dan stoppen we geleidelijk met het beoordelen van onszelf door anderen te beoordelen.

“We hebben de opdracht onze weg terug te vinden naar ons creatieve centrum, waar we bewust worden van heelheid en harmonie, om bij onszelf te blijven, waar we alle valse beelden, zoals wie we denken die we zijn of wie we denken die we hadden kunnen zijn, achter ons laten, omdat deze niet realistisch zijn. Het gevoel van illusie-verpletterende eerlijkheid en eenvoud kan ons leiden tot onze Schepper.” (John Main – Word into Silence) Deze uitdaging kunnen we ondervinden tijdens het mediteren, als we dit toegewijd en liefdevol doen. En dit is verlossing. Laurence Freeman zegt het zo: “Verlossing betekent dat we met ons hele wezen weten wie we zijn en waar we vandaan komen.”

In de diepte van ons wezen herinneren we ons wie we werkelijk zijn. Jung zegt in Civilisation in Transition: “Op de steeds herhaalde vraag ‘Wat kan ik doen?’ weet ik geen beter antwoord dan: ‘Word wat je altijd bent geweest’ … We waren altijd heel zonder het te weten.”

Maar dit alles is niet makkelijk, zoals we ook kunnen lezen in de Sayings of the Desert Fathers: “Een wijze oudere broeder zei ‘Het heeft me twintig jaar strijd gekost om alle mensen te kunnen zien als een’.”

Lesbrief 5.7 - Het begin van de bloei van de mystieke traditie in de woestijn

door Kim Nataraja

We lazen eerder dat onder keizer Constantijn in de periode tussen 313 en 325 het christendom tot Kerk van het Romeinse Rijk benoemd werd. Het resultaat was dat vele christenen zich terugtrokken in de woestijn om Jezus op een zuiverder en eenvoudiger manier te kunnen volgen. Bovendien speelde Athanasius, de bisschop van Alexandrië (327-373), door The Life of Antonius in het Koptisch te schrijven (357) een belangrijke rol bij het aanmoedigen van Koptische christenen om naar de woestijn te trekken (Kopt is afgeleid van het Griekse woord ‘Aiguptous’ dat Egyptisch betekent). Athanasius schrijft: “De woorden van Antonius deden velen besluiten te kiezen voor het kluizenaarsleven. Zodoende kwamen er vanaf dat moment kloosters in de bergen en werd de woestijn een stad van monniken.” De term ‘kloosters’ betekende eigenlijk alleen maar een verzameling onderkomens. Het Griekse ‘mone’ betekent onderkomen of woning. Daarna voegden de meer ontwikkelden, die sterk beïnvloed werden door Origines, zich bij deze vroege Kopten en andere christenen, waaronder Evagrius en Cassianus.

De invloed van The Life of Antony was aanzienlijk, hoewel Antonius niet de uitvinder was van het ascetisch leven. Hij hoorde hier over van de kluizenaars die hij aan het begin van zijn reis bezocht. De vervolgingen, het eisen van romeinse belastingen en het ontlopen van de dienstplicht hadden velen al de woestijn in gedreven. Volgens de overlevering was de eerste christelijke kluizenaar eigenlijk Paulus van Thebes, die tijdens de vervolgingen onder keizer Decius aan het begin van de 3de eeuw naar de woestijn trok. Er bestaat een verhaal over Antonius en zijn bezoek aan Paulus van Thebes. Een raaf bracht Paulus elke dag brood. Op de dag dat Antonius op bezoek kwam, bracht de raaf genoeg mee voor twee!

Athanasius had een stormachtige carrière als bisschop van Alexandrië. Gedurende de periode tussen 327 en 373 werd hij, omdat hij flink verwikkeld was in de kerkpolitiek, een aantal keren afgezet en opnieuw geïnstalleerd. Christelijk dogma’s waren het product van hartstochtelijke en vaak scherpe interchristelijke debatten en argumenten in de aanloop naar het Concilie van Nicea (324) en in de daaropvolgende decennia. Athanasius speelde een belangrijke rol in het Concilie, waar Constantijn de preken van onder andere Athanasius goedkeurde, hetgeen de belangrijkste stroming werd in de nu officiële Kerk van het Romeinse Rijk. Athanasius presenteert het kluizenaarsleven in The Life of Antony daarom als een weg van boetvaardigheid en als een strijd met de demonen, de krachten van het kwaad; in zijn optiek was de mensheid in wezen zondig. Door dit conflict kan de ziel voorbereid worden op Gods bemiddeling van genade door Christus. Op deze manier deed Athanasius een beroep op de eenvoudige ongeschoolde christenen.

Het is echter interessant op te merkten hoe de gedachten van Antonius lijken op die van de Origines-monniken, hetgeen eerder te zien is in zijn Brieven dan in The Life of Antony. Daar hebben we duidelijke aanwijzingen dat hij niet alleen vertrouwd was met de Griekse taal en gedachten, maar zelfs enkele ideeën van Origines accepteerde. Hij benadrukte b.v. dat het belangrijk is dat we onszelf in wezen goed achten, niet zondig; hij moedigde zijn lezers aan in gedachten te houden dat ze geschapen werden naar Gods beeld en daarom konden vertrouwen op Gods genade. Hij legde nadruk op inzichten die konden ontstaan door het lezen van de Schriften – daar waar we Christus ontmoeten – die zouden leiden naar transformatie ter voorbereiding op Gods genade; bovendien zag hij ascese als een weg om het lichaam in zijn natuurlijke staat te herstellen i.p.v. het te straffen voor zijn zonden en  ervan weg te vluchten.

Tegen het eind van de 4de eeuw leefden er zo’n 30.000 mannen en vrouwen in de woestijnen van Neder- en Opper-Egypte. De belangrijkste plaatsen in Neder-Egypte waren Nitria, Cells en Scetis. Antonius zelf woonde tegen die tijd dieper de woestijn in.

Dat er zowel groepen vrouwen als mannen woonden is vaak over het hoofd gezien; in feite was de helft van de woestijnkluizenaars vrouw. In zekere zin durfden zij zich beter van sociale conventies te ontdoen dan mannen; in die tijd had een vrouw totaal geen rechten en was zij bezit van haar vader en later haar echtgenoot. Sommigen waren prostituee geweest; anderen kwamen uit een rijk milieu en leefden als toegewijde maagden op het familieterrein. Anderen leefden samen met hun echtgenoot een ascetisch leven.

Het meest bekend waren Amma Syncletica en Amma Theodora. Amma Syncletica was een goed opgeleide rijke jonge vrouw, die samen met haar blinde zus verhuisde naar het familiegraf buiten Alexandrië om haar leven aan God te wijden. Amma Theodora was de vrouw van een romeinse functionaris, die als kluizenares in bittere armoede leefde. Zij en andere vrouwen waren zeer invloedrijk en werden door vele monniken geraadpleegd. Hun leven kan niet erg gemakkelijk zijn geweest, maar de toenmalige christelijke leiders ondersteunden hen: “De vrouw is naar Gods beeld gelijk aan de man. De geslachten zijn van gelijke waarde. Hun deugden zijn hetzelfde, hun worstelingen zijn hetzelfde … Kan een man wedijveren met een vrouw  die haar leven ten volle leeft?” (Gregorius van Nyssa).

(Uittreksel uit Kim’s hoofdstuk over de Woestijntraditie in Journey to the Heart)

Lesbrief 5.8 - Dagelijks leven en gebed

door Kim Nataraja

“De typische woestijnmonnik woonde in een stenen hut, bedekt met takken uit een nabij gelegen oase. Binnen lag een rieten mat die als bed diende, een kruik water, waar palmbladen in de week gezet werden om matten te maken en touwen te vlechten, een schapenvacht voor de koude nachten, een handvol gedroogde erwten of linzen … eetbare planten en … pepers en kappertjes.” (Uit: Derwas Chitty – The Desert a City)

Ze woonden in kleine groepen. Hun cellen waren vaak gebouwd rondom een gemeenschappelijke binnenplaats. Ze waren kluizenaars in gemeenschap. Op de binnenplaats plantten ze dadelpalmen en olijfbomen. En in de omgeving verbouwden ze graan om brood te bakken. Hiermee zorgden ze niet alleen voor hun eigen behoeften, maar stonden ze ook open voor de behoeften van anderen. Zr. Benedicta Ward, een bekende wetenschapper op het gebied van woestijnvaders en –moeders, merkte op dat de woestijnkluizenaars verantwoordelijk waren voor aanzienlijke agrarische verbeteringen in de woestijn in het voordeel van de gewone dorpelingen om hen heen. Abba Orr beplantte drasland met bomen; Abba Copres had een kleine boomgaard met dadelpalmen op zijn erf; weer een ander verbouwde graan en verdeelde dat onder de dichtstbijzijnde dorpelingen. Zoals je ziet, isoleerden de kluizenaars zich niet en zorgden ze niet alleen voor hun eigen spirituele vooruitgang. De vrucht van hun ‘zuiver’ gebed liet hen voor anderen en hun omgeving zorg dragen.

Hoewel ze weinig aten, adviseerden ze vaak te matigen: “Onze heilige en meest ascetische meester zei dat de monnik altijd zou moeten leven alsof hij de volgende dag zou sterven, maar tegelijkertijd zou hij zijn lichaam moeten behandelen alsof hij nog vele jaren te leven had.” (Evagrius die Macarius aanhaalt)

Om te kunnen kopen wat nodig was voor eigen onderhoud, vlochten ze matten, touwen en manden. Ze weefden vlas en werkten in de velden als dagloners. Het waren gemeenschappen van leken, en over het algemeen niet verschillend van de christelijke meditatiegroepen over de hele wereld. Gebed en werk waren het belangrijkst in hun leven; liturgie speelde geen grote rol. De invloed van de clerus kwam veel later. Zij ontvingen hun onderricht en levensregel van de meer ervaren Abba’s en Amma’s, bij wie ze samenkwamen. Deze weigerden echter priester of bisschop te worden, hetgeen niet verwonderlijk was gezien de veranderingen in de kerk sinds Constantijn.

De Abba’s en Amma’s werden niet alleen bezocht door (aspirant-)kluizenaars, maar ook door vele anderen van heinde en verre. Hun gebedsleven maakte hen ontvankelijk voor de noden en zorgen van anderen waar ze ook woonden. Vaak werden ze gevraagd scheidsrechter te zijn of te bemiddelen in conflicten, omdat hun advies objectief werd geacht. Sommigen, zoals Evagrius en Antonius zelf, zouden zelfs naar Alexandrië gegaan zijn om het christendom te verdedigen en zich te mengen in twistgesprekken met heidense filosofen.

De belangrijkste begeleiding die de aspirant-kluizenaars ontvingen, was het gebed. Er werd driemaal per dag gebeden: het derde, zesde en negende uur (respectievelijk 9, 12 en 15 uur) en ’s nachts: “Wat betreft slapen ’s nachts: bid twee uur vanaf de avond, rekenend vanaf zonsondergang. En nadat je God geprezen hebt slaap je zes uur. Sta dan op voor de nachtwake  en breng de overige vier uur door in gebed. Doe ’s zomers hetzelfde; kort dan echter de uren in en lees minder psalmen vanwege de korte nachten.” (Abba Poimen)

Deze discipline van werk en gebed – ora et labora – doet ons denken aan de Regel van Benedictus, die een groot bewonderaar was van de Conferenties van Johannes Cassianus. Maar gelukkig voor de Benedictijnse monniken had Johannes Cassianus de leer die hij in de woestijn had ontvangen versoepeld tegen de tijd dat hij deze opschreef voor de twee kloosters die hij stichtte – een voor mannen en een voor vrouwen. Ik moet zeggen dat ook ik blij ben dat John Main op zijn beurt de leer van Johannes Cassianus aangepast heeft aan het leven van de gewone mannen en vrouwen van onze tijd en ons alleen aanspoort twee maal per dag te mediteren – misschien drie keer, als de omstandigheden dat toelaten – maar ons een ononderbroken nacht laat!

De psalmodie, het zingen van psalmen, waarschijnlijk ondersteund door muziek, was een belangrijk onderdeel van hun dagelijkse eredienst, zowel in de gemeenschap, als alleen of op het werk. Ze kenden alle psalmen uit het hoofd en reciteerden de meeste elke vierentwintig uur. Het is geen wonder dat we het volgende verhaal hebben: “Enkele ouderen bezochten Abba Poimen en vroegen hem: ‘Als we enkele broeders zien dommelen tijdens de dienst, wilt u dan dat wij hen terechtwijzen zodat zij wakker blijven?’ Hij antwoordde: “Wat mij betreft, als ik een broeder zie dommelen, dan leg ik zijn hoofd op mijn schoot en laat hem rusten.”

Ondanks deze woorden baden zij over het algemeen staand met het gezicht naar het oosten. Zij knielden vaak, vooral na het zingen van de psalmen: “Sta op en bid en bekeer je (kniel), terwijl je zegt: “Zoon van God, wees mij genadig.” (Abba Nau)

De Schrift was erg belangrijk voor hen; er werd hardop gelezen (de zgn. synaxis) tijdens de wekelijkse samenkomsten. Van wezenlijk belang was volledig aandachtig te zijn: “De Oudere zei: “Waar waren je gedachten tijdens de synaxis op het moment dat het woord van de psalm je ontging? Weet je niet dat je voor het aangezicht van God staat en tot God spreekt?” Ze moesten niet alleen de Schrift uit het hoofd kennen, de nadruk werd gelegd op het toepassen hiervan tijdens het dagelijks leven: “Wat je ook doet, doe het in overeenstemming met het Heilig Boek.” (Antonius)

Zelfs tijdens het werk herhaalden ze hun gebedswoord en na het werk, wanneer ze in hun cel waren gingen ze door met bidden en verinnerlijkten de Schrift middels meditatie – slechts een enkele herhaling van een gedeelte uit de Schrift zonder reflectie op de betekenis. In deze mondelinge cultuur werd deze herhaling hardop uitgesproken: “We hoorden hem mediteren”, zei Abba Amoun over Abba Achilles.

Ook wij reflecteren tijdens de meditatie niet over de betekenis van ons gebedswoord Maranatha – we laten onze gedachten achter – en zeggen het woord stil en trouw in onze geest.

(Overgenomen uit Kim’s hoofdstuk in de Desert Tradition in Journey to the Heart)

Lesbrief 5.9 - Metanoia*, obedientia* en stabilitas*

door Kim Nataraja

Kluizenaars verlangden er intens naar de manier van leven en het onderricht van Jezus te volgen en zo het ‘Koninkrijk van God’ binnen te gaan, te leven in de Goddelijke Aanwezigheid, de belangrijkste reden om in de woestijn te wonen. Door Zijn voorbeeld wisten ze dat dit alleen mogelijk was door diep innerlijk stil gebed. Om dit mogelijk te maken moesten ze alle op zichzelf gerichte gedachten loslaten, in hun woorden ‘hun hartstochten zuiveren’, zodat ze de ‘zuiverheid van hart’ zouden kunnen bereiken. Zonder het loslaten van ik-gerichte gedachten en naar binnen keren, werd zuiver gebed niet mogelijk geacht: “Een van de vaders zei: ‘Zoals je je gezicht niet kunt zien in vertroebeld water, kan de ziel als die niet bevrijd is van vreemde gedachten, God tijdens de contemplatie niet reflecteren.’” In de woorden van Thomas Merton: “De vaders waren vooral op zoek naar hun eigen ware zelf, in Christus. Hiervoor moesten ze het valse, formele zelf dat ontstaan was onder sociale dwang in ‘de wereld’, volledig verwerpen.

‘De hartstochten uitzuiveren’ werd gezien met betrekking tot de strijd met de ‘demonen’. Tegenwoordig interpreteren we ‘vechten met de demonen’ in psychologische termen – zoals  Thomas Merton doet – als een poging om de beschadigende drijfveren van het gewonde ego – ‘demonen’ als negatieve energieën en onvervulde behoeften, te begrijpen. Ook wij moeten de wonden van het ego en hun bijbehorend, vaak schadelijk, gedrag erkennen, voordat we kunnen genezen en ‘de Realiteit zien zoals die is – oneindig’. (William Blake) Deze energieën zijn erg krachtig, dus het is niet verwonderlijk dat deze krachten toentertijd voorgesteld werden als ‘demonen’. Bovendien geloofde men toen sterk in engelen en demonen.

De voorwaarden die bijdragen aan geestelijke groei werden een eeuw later door Benedictus prachtig samengevat in zijn regels: ‘Obedientia, metanoia en stabilitas’. Hoewel we hier misschien niet vanuit gaan, zijn deze drie houdingen toch nog steeds relevant op onze weg. Laten we ze wat nader onderzoeken.

De eerste belangrijke houding is Metanoia. Vaak is er aan het begin van de geestelijke weg plotseling een diep spiritueel inzicht, een glimp van een wijdere dimensie. De vroege kerkvaders noemden dit het moment van ‘bekering’ of ‘metanoia’, een duidelijke verandering van hart en geest, waardoor de herinnering aan ons ware ‘zelf’ aan de oppervlakte kan komen, zodat wij over de drempel tussen de verschillende niveaus van waarneming kunnen stappen. Dit helpt ons tot diep stil gebed te komen. Door gedachten, beelden en fantasieën los te laten, kunnen we de Realiteit ervaren die de gewone realiteit waarin we leven overstijgt. Deze verhoogde waarneming maakt ons bewust van onze wezenlijke verbondenheid met het Goddelijke. Ons leven wordt dan een volledig toegewijd leven aan God en we zien God in alles en allen.

De tweede houding is Obedientia. In de woestijn was gehoorzaamheid aan de Abba of Amma het voornaamst. De natuurlijke autoriteit van de Abbas en Ammas was gebaseerd op hun wijsheid, het resultaat van hun eigen doorleefde ervaring van diep gebed. Wat betreft de betekenis van gehoorzaamheid voor ons, kunnen we tegenwoordig net de stap zetten gehoorzaamheid te begrijpen als ‘aandachtig luisteren’. De aspirant-kluizenaars moesten allereerst zorgvuldig luisteren naar Gods’ woord, zoals zij lazen in de Schrift, vooral de Zaligsprekingen, en dit tijdens hun leven tot hun regel maken. Ten tweede moesten ze aandachtig luisteren naar hun Abba of Amma, hun spirituele gids, wiens wijsheid en mededogen hen ondersteunde en vormde. Ze moesten hun eigen wil opgeven en hun individuele verlangens van het ego achter zich laten om vrij het woord van God te kunnen horen. De houding van Nederigheidgaat hand in hand met die van Gehoorzaamheid. Samen kunnen ze leiden naar twee van de belangrijkste deugden, die in Zaligsprekingen genoemd worden: niet alleen zuiverheid van hart, vrijheid van egocentrische verlangens, maar ook armoede van geest in de zin van ‘hun behoefte aan God begrijpen’.

Ook wij moeten aandachtig luisteren naar de echte betekenis van de Schrift. Opnieuw is een discipline uit de Benedictijnse traditie, lectio divina, van onschatbare waarde. We moeten zorgvuldig luisteren naar het onderricht en begeleiding van John Main OSB en Laurence Freeman OSB. Ook wij moeten onze egocentrische gedachten laten gaan en vertrouwen op intuïtie, onze goddelijke leiding, de ‘stille, zachte stem van vrede’.

Tenslotte wordt Stabilitas benadrukt in het volgende gezegde: “Een broeder in Scetis ging naar Abba Moses om raad en de oude man zei hem: ‘Ga zitten in je cel en je cel zal je alles leren’.” De nadruk op Stabilitas was bedoeld om de kluizenaars te helpen hun innerlijke en mentale rusteloosheid te verminderen. Het feit dat de kluizenaars deze regel een uitdaging vonden, blijkt uit de verhalen van velen die van plek naar plek zwierven. Dit was een algemeen probleem, maar werd niet aangemoedigd, zoals we kunnen zien in de woorden van Amma Syncletica: “Als je in een klooster (gemeenschap van kluizenaars) verblijft ga dan niet ergens anders heen, want dat zal je veel schade berokkenen. Net zoals een broedende vogel die haar eieren verlaat en zo voorkomt dat ze uitkomen, wordt de  mannelijke en vrouwelijke kluizenaar koud en sterft hun geloof als zij van plaats naar plaats gaan.” De deugd van Stabilitas betekent ook voor ons een geworteld zijn in een Gemeenschap, een geworteld zijn in gebed/meditatie, in het spirituele pad, maar vooral een geworteld zijn in God.

 (* Metanoia: Het wordt algemeen begrepen als een transformerende verandering van hart; vooral: een spirituele ommekeer).

(* Obedientia: het met aandacht luisteren en gehoor geven. Een dagelijks verbeteren van levenshouding en gewoonten)

(* Stabilitas: Een levensregel dat je niet wegloopt van dat waaraan je je verbonden hebt en wat hier en nu een appèl op je doet. Stabilitas heeft alles te maken met een volgehouden en bestendig commitment).

Lesbrief 5.10 - Het belang van stilte, eenzaamheid en onophoudelijk gebed

door Kim Nataraja

Vroegchristelijke mystiek is een spiritualiteit die ontstaan is in de ruige, compromisloze maar huiveringwekkend prachtige omgeving van de woestijn met zijn diepe stilte en eenzaamheid. De kluizenaars hadden een staat van uiterlijke stilte en eenzaamheid verkregen door zich terug te trekken in de woestijn, maar het was veel moeilijker om in hun leven en gebed te komen tot een dergelijke innerlijke staat. Wij weten heel goed uit onze eigen ervaring met meditatie hoe ontzettend moeilijk het is om het landschap van onze eigen gedachten en gevoelens te verlaten. Maar tenzij dat in praktijk wordt gebracht, is zelfs de woestijn hierbij niet tot hulp. Amma Syncletica zei: “Er zijn velen die leven in de bergen en zich gedragen alsof ze in de stad wonen, en zij verdoen hun tijd. Het is mogelijk een kluizenaar te zijn in de geest terwijl je woont in een mensenmenigte, en het is mogelijk voor een kluizenaar om in een zee van persoonlijke gedachten te wonen.” 

Daar ligt onze troost: “Het is mogelijk kluizenaar te zijn in de geest terwijl je in de mensenmenigte woont.” Als we mediteren en volledig aandachtig zijn bij ons gebed kunnen we, zelfs als we wonen in het centrum van een drukke stad, onze innerlijke stilte en eenzaamheid binnengaan. Innerlijke stilte is nodig om ‘de kalme bescheiden stem’ te horen en werd daarom ook beschouwd als de meest essentiële kwaliteit. Nadat hij hen de zegen had gegeven in de kerk in Scete zei Abba Macarius eens tot de broeders: “Vlieg broeders.” Een oudere gaf hem het volgende antwoord: “Hoe kunnen we verder vliegen dan dit, terwijl we ons in de woestijn bevinden.” Toen legde Macarius zijn vinger op zijn mond en zei: “Vlieg hiervandaan.” Na dit gezegd te hebben ging hij zijn cel binnen en sloot de deur. Stilte was daarom niet alleen een afwezigheid van geluid maar ook van onnodig gepraat. De kluizenaars beschouwden onbelangrijk gepraat als een gevaar, omdat het onvermijdelijk zou leiden tot onbeduidende gedachten. Van Abba Ammoes werd gezegd, dat wanneer hij naar de kerk ging, hij zijn leerling niet toestond naast hem te lopen, maar alleen op een bepaalde afstand; en als de laatste hem kwam vragen naar zijn gedachten, dan stapte hij opzij zodra hij geantwoord had, zeggende: “ik houd je niet bij me zodat er geen onbeduidend gesprek zou binnensluipen nadat ik tot je gesproken heb.”  

Het innerlijk gebedsleven kan heel moeilijk zijn, zoals de kluizenaars en wij weten. Er werd hen aangeraden zorgvuldig aandacht te schenken aan hun geestgesteldheid tijdens het gebed en op het werk. Zo werden ze zich bewust van de constante aanval van demonen in de vorm van ‘slechte gedachten’. We lazen eerder Evagrius’ advies over ‘waken over de gedachten’ – mindfulness (in de laatste lesbrieven van jaar 4). Deze ‘slechte gedachten’ konden alleen bestreden worden door volledige focus op gebed – hun ‘formula’, onze mantra. Hierin volgden zij (en wij) Jezus’ onderricht: “Zoek eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, dan krijg je alles erbij.” (Mt 6,33) Hier is een perfect voorbeeld van: “Er was nog een spiritueel mens, waar we over lazen. Terwijl hij op een dag aan het bidden was, kroop er een adder naar hem toe en greep zijn voet. Hij bracht alleen zijn armen naar beneden tot hij zijn dagelijks gebed beëindigd had. Door God meer lief te hebben dan zichzelf liep hij geen enkel letsel op.” (Evagrius – Chapters on Prayer)

Zoals we bij Evagrius zagen was het kluizenaarsleven helemaal gericht op gebed. Hij varieerde op Jezus’ uitspraak: “Verkoop je bezittingen en geef het aan de armen, neem je kruis op zodat je zonder afleiding kunt bidden.” Daarom was ‘onophoudelijk bidden’ hun doel: “Ik zal je laten zien hoe ik niet stop met bidden, ik ga eenvoudigweg door met mijn werk.” (Sayings of the Desert Fathers) Dit werd vervolgens benadrukt door de woorden van Origenes: “Hij bidt onophoudelijk die gebed combineert met noodzakelijke taken en noodzakelijke taken met gebed. Alleen zo kunnen we het voorschrift om altijd te bidden volbrengen. We kunnen het hele christelijke bestaan beschouwen als een enkel uitvoerig gebed. Wat we normaliter gebed noemen is slechts een deel ervan.” (Origenes – On Prayer)

Dit kunnen wij ook doen. Door ons gebedswoord trouw en liefdevol duidelijk en stil te zeggen in onze geest en ernaar te luisteren terwijl we het tijdens de meditatieperiode laten klinken – en ook tijdens andere momenten, die niet onze volle aandacht vereisen, b.v. terwijl we op de bus wachten of een eindje wandelen. Zo helpen we de mantra zich in ons wezen te wortelen en dan zal het helder klinken in ons hart, zachtjes en voortdurend, zelfs als we ons er niet van bewust zijn. En ook wij bidden onophoudelijk als we “ons gebed combineren met onze noodzakelijke taken en onze taken met ons gebed.” 

Lesbrief 5.11 - Ware onthechting

door Kim Nataraja

In de eeuwen die volgden op de bloei van het mystiek gebed onder de woestijnkluizenaars werden de belangrijkste regels van hun levenswijze samengevat als armoede, kuisheid en gehoorzaamheid; drie zeer nauw met elkaar verbonden deugden.

We spraken reeds over het belang van gehoorzaamheid en zagen dat het in een veel ruimere zin gebruikt werd dan we normaliter interpreteren. In werkelijkheid betekent het aandachtig luisteren. De andere twee deugden zouden ook niet moeten berusten op een bekrompen en letterlijke interpretatie. De deugd van armoede zet zich in de ogen van de kluizenaars inderdaad af tegen onze sterke neiging te hechten aan positie en materiële goederen. Zij wisten dat dit veroorzaakt werd door het ‘valse formele zelf (het ego), ontstaan in de wereld met zijn behoefte aan bewondering, macht en controle’. Menselijke behoeften en neigingen zijn in de loop der eeuwen niet wezenlijk veranderd.

Bovendien is bezit in welke vorm dan ook vaak oorzaak van zorg en conflict: “Abba Theodore had drie goede boeken. Hij ging naar Abba Macarius en zei: “Ik heb drie goede boeken en het lezen ervan helpt mij; andere monniken willen ze daarom ook lezen. Zeg me, wat moet ik doen?” De oude man zei: “Boeken lezen is goed maar niets bezitten is meer dan dat.” Toen hij dit hoorde ging hij weg, verkocht de boeken en gaf het geld aan de armen.” Armoede verwijst echter niet alleen naar het loslaten van alles wat de materiële wereld te bieden heeft, maar het betekent in werkelijkheid een ruimere houding ten aanzien van onthechting. Het betekent ook een niet-gehecht zijn aan onze gedachten en de overtuiging van de juistheid van onze persoonlijk meningen en verworven kennis. Een tijdje geleden las ik het volgende gezegde: “Als je jezelf wilt veranderen, verander dan je meningen.” De woestijnkluizenaars zouden het met deze stelling eens zijn, maar eraan toevoegen dat we ze niet alleen moeten veranderen maar onszelf volledig moeten ontdoen van onze geconditioneerde meningen om conflict te vermijden. Hoe belangrijk dit is kunnen we moeiteloos zien in alles wat om ons heen gebeurt.

Zelfs het vasten, dat we gewoonlijk verbinden met een houding van de woestijnvaders en –moeders, is een vorm van armoede/onthechting. Het wordt niet alleen in verband gebracht met voeding maar ook met elk ander levensaspect. We zouden eenzaamheid zelfs kunnen beschouwen als het vasten van zintuiglijke indrukken, afleidende sociale contacten en stilte kunnen zien als vasten van klanken en woorden.

Ook kuisheid kan ruimer opgevat worden. Ongetwijfeld heeft het te maken met seksualiteit. Er zijn verschillende verhalen over kluizenaars die in koud water moesten staan om hun passies te bekoelen. Het is echter meer dan dat. In werkelijkheid refereert kuisheid aan  zuiverheid van geest, het loslaten van de behoefte andere mensen te gebruiken om onze eigen zinnelijke en materiële behoeften en doeleinden te vervullen – in feite de behoefte aan macht en controle over anderen. Bovendien betekent het een kuise, onthechte houding ten opzichte van alle facetten van het leven, waardoor de demon van hebzucht en afgunst wordt overwonnen. Vieren ze niet nog steeds hoogtij in onze wereld?

Mededogen voor jezelf en anderen is zowel de bron als de voltooiing van deze drie deugden. De levenswijze van de woestijn zou leiden tot een volledige zijnstransformatie, een transformatie in het vuur van Liefde: Abba Lot ging op bezoek bij Abba Joseph en zei: “Abba, ik bid mijn kleine officie zo goed als ik kan, ik vast een beetje, ik bid en mediteer, ik leef in vrede en ik zuiver mijn gedachten zo goed mogelijk. Wat kan ik nog meer doen?” Toen stond de oude man op en strekte zijn handen naar de hemel; zijn vingers werden als tien lampen van vuur en hij zei: “Als je wilt kun je een en al vuur worden.” De goddelijke vonk binnen ieder van ons kan oplaaien tot een vuur van Liefde, de goddelijk energie, en ons hele wezen en gedrag volkomen transformeren.

De Abbas en Ammas onderwezen en praktiseerden hun levenslessen uit compassie met hen die nog beheerst werden door hun demonen. Een broeder vroeg Abba Sisoes het volgende: “Wat moet ik doen, Abba, want ik ben gevallen?” De oude man antwoordde: “Sta weer op.” De broeder zei: “Ik stond op en viel weer.” De oude man vervolgde: “Sta steeds weer op.” De broeder vroeg: “Hoe vaak?” De oude man antwoordde: “Tot je bent gegrepen hetzij door deugd of door zonde.” Hier is geen sprake van kritiek of oordeel, alleen van diepe liefdevolle acceptatie van de menselijke natuur.

Als we kijken naar het veeleisende leven van de woestijnvaders en –moeders neigen we ertoe hun onderricht af te doen als enkel relevant voor kluizenaars, maar dat zou onjuist zijn. We zouden zeker allemaal profijt hebben van een meer ‘onthechte’ houding en het ‘loslaten’ van egocentrische verlangens. De woestijnkluizenaars waren ervan overtuigd dat hun instelling voor iedereen de juiste was: “Toen Christus ons vroeg het smalle pad te bewandelen richtte hij zich tot iedereen. De kloosterling en de leek kunnen dezelfde hoogten bereiken. Zij die in de wereld leven, ook al zijn ze getrouwd, moeten voor al het overige op monniken lijken. Je zit er behoorlijk naast als je denkt dat er van gewone mensen en monniken andere dingen gevraagd worden.” (Johannes Chrysostomus)