Lesbrieven

Jaargang 4

Lesbrief 4.1 - De achtergrond van onze traditie

De achtergrond van onze traditie
door Kim Nataraja

 

In deze serie lesbrieven zal ik me richten op enige essentiële teksten van John Main en Laurence Freeman, die ik iedereen die zich serieus met meditatie in onze traditie bezighoudt, zou willen aanraden.

 

Ik wil graag beginnen met John Main’s boek Christian Meditation – The Gethsemani Talks. John Main vertelt hier hoe hij de eenvoudige meditatiepraktijk ontdekte toen hij in dienst was van de British Colonial Service in Malakka (nu Maleisië) vanaf 1954. Tijdens zijn werk daar ontmoette hij een Hindoe monnik, Swami Satyananda, die een ashram en een school voor weeskinderen leidde. Hij werd getroffen door zijn kalmte en rustige wijsheid. Na de zakelijke kant van de ontmoeting, raakten ze in gesprek over religie en hun manier van bidden. Voor de Swami was dit meditatie. De enige meditatie waar John Main tot dan toe mee vertrouwd was, was de Ignatiaanse meditatiemethode – een actieve gebedsmethode, die gebruik maakt van al je zintuigen en verbeelding om een bepaalde gebeurtenis uit de Schrift te visualiseren.

De Swami legde uit dat zijn manier van mediteren totaal verschillend was: “Meditatie is erg eenvoudig … het enige wat je te doen hebt is mediteren …. . Om te mediteren moet je stil worden. Je moet stil zijn. En je moet je concentreren. In onze traditie kennen we een manier waarop je die stilte, die concentratie kunt bereiken. We gebruiken een woord en we noemen dat een mantra. Om te mediteren moet je dit woord kiezen en het dan herhalen, liefdevol vertrouwend en voortdurend. Dit is alles bij meditatie. Ik heb je er echt niets anders over te zeggen. En nu gaan we mediteren.” De Swami verduidelijkte dat, anders dan bij de Ignatiaanse meditatie, waar John Main aan gewend was, “er in je geest geen gedachten, geen woorden en geen verbeeldingen moesten zijn. De enige klank zal de klank van je mantra zijn.”

 

De Swami zei verder dat de resonantie van die klank zou leiden tot de integratie van ons hele zijn en de ontdekking van de diepe eenheid met alle schepselen, de hele Schepping en met God. Volgens hem zou meditatie uiteindelijk leiden tot een bewustzijn ‘van de Geest van het universum die in onze harten woont’. Deze opmerking vond weerklank bij John Main, omdat hij als christen in wezen ook in hetzelfde geloofde: de liefdevolle Geest van Christus woont in ons hart. Omdat John Main katholiek was, hielp de Swami hem om een christelijke mantra te kiezen, omdat het essentieel is je eigen geloof te verdiepen. Hoe waar dit was, blijkt uit het feit, dat hij vijf jaar later monnik werd in de Benedictijnse Abdij in Ealing.

 

Ik heb regelmatig mensen ontmoet, die John Main’s kennismaking met meditatie in Maleisië zagen als bewijs dat het gebaseerd was op Hindoe-Advaita, de non-dualiteit. Mede omdat hij deze manier van bidden uit het Oosten meegebracht had, was het voor hen niet authentiek christelijk.

Maar dit is een misvatting – de essentie van hun ontmoeting was de daadwerkelijke beoefening van meditatie, niet de discussie over de opvattingen van het Hindoe-geloof. Bovendien is deze manier van gebed universeel; we vinden deze discipline in alle belangrijke religies en wijsheid tradities. Het is niet afhankelijk van geloof en dogma, maar van praktische ervaring.

Pas vele jaren later in 1970 ontdekte John Main deze manier van gebed in de christelijke traditie in de geschriften van Johannes Cassianus – zoals we in de volgende lesbrief zullen zien.

Lesbrief 4.2 - Het onderricht van Johannes Cassianus ontdekken

Het onderricht van Johannes Cassianus ontdekken
door Kim Nataraja

 

Toen John Main monnik werd, “kreeg hij een andere meditatiemethode aangereikt, die hij in zijn nieuwe status van Benedictijns novice in gehoorzaamheid accepteerde.” Hij zegt in The Gethsemane Talks: “Achteraf gezien beschouw ik deze periode in mijn leven als een periode van grote genade. Zonder het te weten leerde mijn novicemeester me op een belangrijk moment van mijn leven wat onthechting was. Ik leerde me vrij te maken van de praktijk die me zeer heilig was en waarop ik mijn leven probeerde te bouwen. In plaats hiervan leerde ik mijn leven op God zelf te bouwen.” Zijn geloof dat “God me niet voor eeuwig zou laten dwalen in de wildernis, maar me terug zou roepen op het pad” werd waargemaakt. Jullie moeten in het boek zelf maar ontdekken hoe John Main naar Holy Wisdom van Augustinus Baker werd geleid en vervolgens naar de Gesprekken van Cassianus. In John Main’s woorden: “Met buitengewone verbazing las ik in zijn Tiende Gesprek over de praktijk een enkele korte frase te gebruiken om de stilte te bereiken die nodig is voor het gebed – ‘De geest belet en weert zo de overvloedige en omvangrijke gedachten en beperkt zich tot de armoede van een enkele zin’. Toen ik deze woorden bij Cassianus en hoofdstuk X uit hetzelfde gesprek las over de methode van onafgebroken gebed, kwam ik opnieuw thuis en keerde ik terug naar de mantrapraktijk.”

 

Johannes Cassianus (365-435) werd sterk beïnvloed door Evagrius, voor wie hij het meeste ontzag had onder de woestijnvaders en -moeders. Maar uit zijn Gesprekken blijkt dat hij niet alleen maar aan de voeten van Evagrius zat, maar ook aan de voeten van minstens 15 andere Abbas en Ammas. Ook hun onderricht maakte hij zich eigen. Toen hij de Egyptische woestijn verliet, verzachtte hij het rigide woestijnonderricht, vereenvoudigde het en voegde het naar het leefmilieu van Zuid-Gallië, waar hij twee kloosters stichtte – een voor mannen en een voor vrouwen. Bovendien schiep hij eenheid uit diversiteit: hij formuleerde een samenhangend systeem van praktijk en denkwijze, gebaseerd op de afzonderlijke uitspraken en leringen van de woestijnvaders en -moeders. Hij is feitelijk degene die er verantwoordelijk voor is, dat de woestijntraditie in het Latijnse Westen belandde en zo grote invloed uitoefende op St. Benedictus en de hele westerse monastieke beweging. Ondanks het feit dat St. Benedictus zijn monniken aanraadde Cassianus elke dag te lezen, is deze praktijk in de Benedictijnse traditie door de eeuwen heen verwaarloosd. John Main en Laurence Freeman brachten het opnieuw onder de aandacht van de Christelijke wereld en van hun Benedictijnse broeders en zusters. John Main gebruikte de lering van Cassianus niet zoals hij het aantrof, maar ook hij paste het aan – deze keer niet alleen voor kloosterlingen maar voor leken van de 20ste eeuw.

 

Het onderricht van Cassianus, dat gebaseerd is op de praktijk van de woestijnmonniken van Egypte in de 4de eeuw AD, en dat van een Hindoe Swami uit de 20ste eeuw toont aan hoe universeel deze manier van bidden is. Wij ondervinden bij beiden dezelfde stimulans als we een zin of woord gebruiken, die onze drukke geesten vol met gedachten helpt stil te worden. Zowel Cassianus als Swami Satyananda zien de herhaling van een gebedsfrase als een belangrijke voorbereidende fase, een manier om te onthechten, een manier om de geest te trainen tot enkelvoudige moeiteloze aandacht, die leidt tot het stille gebed, het contemplatief gebed, om uiteindelijk Gods liefdevolle aanwezigheid in onze harten gewaar te worden.

Lesbrief 4.3 - Van hoofd naar hart

Van hoofd naar hart
door Kim Nataraja

 

Meditatie maakte het John Main mogelijk om zich tijdens het gebed van overwegend gebed naar stil gebed te begeven, van hoofd naar hart. Hij waarschuwde de monniken van Gethsemani: “we kunnen zo gemakkelijk zelfgenoegzaam en vol egotripperij worden als we onze geloofsformules herhalen.” Hij benadrukte dat we ons moeten bewegen van het intellectuele ja-zeggen op ons geloof naar de persoonlijke ervaring van de waarheid van ons geloof. Het is niet zo dat de overtuigingen en dogma’s niet belangrijk zijn, maar zij zijn slechts voor de helft belangrijk in het leven van een christen. Evagrius, de belangrijkste leraar van Johannes Cassianus zegt het volgende: “De effecten van het vasthouden aan de leringen zijn niet voldoende om de krachten van de ziel volledig te helen – ze moeten geheiligd worden door een contemplatieve activiteit en deze activiteit moet diep in de Geest doordringen.”

 

We kunnen de waarheid, die de vroege kerkvader Origines verklaarde uit de Schrift, intellectueel accepteren: “Mannen en vrouwen worden geschapen naar ‘het beeld van God’ en onze menselijke levenstaak is om de ‘gelijkenis met God’ door onze levenswijze te laten zien.” Maar alleen in diep stil gebed ervaren we wat dat voor elk van ons betekent. Soms worden we ons hiervan bewust door het gevoel van vrede en liefde, dat de Geest van Christus in ons diepste zijn leeft. Dan ‘weten’ we op een diep intuïtief niveau dat we “een tempel van God zijn, geschapen om de glorie van God in onszelf te ontvangen”. Het bewustzijn van de immanente Goddelijke aanwezigheid helpt ons te verwerkelijken waartoe wij in wezen bedoeld zijn en onze gedachten en existentie te transformeren. Dit zal onze houding en handelen ten aanzien van onszelf, anderen en de schepping verdiepen. We laten dan onze ‘gelijkenis met God’ zien door onze levenswijze, hetgeen wordt bedoeld met ‘navolging van Christus’. We herinneren ons wie we werkelijk zijn, diep verbonden met het Goddelijke, de Liefde. Het stelt ons in staat stelt te leven en handelen volgens Zijn waarheid, in navolging van Jezus.

 

John Main beklemtoont dat dit de werkelijke betekenis is van meditatief gebed. Door gedachten achter ons te laten, zonder afgeleid te worden, leren we “aandacht te schenken aan de persoonlijke aanwezigheid van Jezus, die in ons leeft.” Zo zullen we tot vrede komen en “genieten van het absolute wonder van onze schepping.”

 

Zoals we hierboven kunnen lezen, lijkt het ‘meditatieve gebed’ van John Main volstrekt niet op het meditatieve gebed dat hij aanvankelijk leerde als katholiek: de Ignatiaanse overwegende meditatie. Deze gebedswijze kan op haar manier zeer belangrijk zijn op de spirituele weg door ons werkelijk inzicht te bieden in onze eigen natuur en in onze relatie met het handelen en het onderricht van Christus. Weten wie we werkelijk zijn in onze totaliteit is een belangrijke eerste stap. Augustinus zei het zo: “De mens moet eerst in zichzelf veranderd zijn en vervolgens als het ware in zichzelf een springplank creëren om vandaaruit op te stijgen en verder gedragen te worden tot God.” Net zoals Johannes Cassianus benadrukte John Main steeds dat elke manier van gebed waardevol en noodzakelijk is. Maar dan komt de essentiële stap de stilte in, hetgeen leidt tot volmaakt gebed, waar we onszelf helemaal vergeten en ingaan in de liefhebbende stilte in de kern van ons wezen, waar Christus woont. Johannes Cassianus beëindigt zijn gesprek over gebed met een uitspraak van de heilige Antonius: “Gebed is niet volmaakt als de monnik bewust is van zichzelf en van het feit dat hij aan het bidden is.” Meditatie houdt zich daarom niet zozeer bezig met denken, maar alleen met aanwezig zijn bij God wat kan leiden tot “binnengetrokken worden in de persoon, waartoe Hij ons roept.”

 

Lesbrief 4.4 - De werkelijke betekenis van armoede

De werkelijke betekenis van armoede
door Kim Nataraja

 

In de ‘Gethsemani Talks’ onderricht John Main zijn mede-monniken, voor wie de gelofte van ‘armoede’ zeer belangrijk is. Maar niet alleen in het religieuze leven is ‘armoede’ van belang. Wanneer je armoede gaat zien als eenvoud in plaats van als afstand doen van je persoonlijk bezit, wordt het ongetwijfeld relevant voor iedereen.

 

In John Main’s ogen gaat ‘armoede’ meer over “die mate van zelfloosheid die ons in staat zal stellen om volledig en diep ontvankelijk te zijn voor de werkelijkheid van de ander, God en onze naaste” dan over het alleen maar afstand doen van persoonlijk eigendom en een hang naar bezit. Vaak is de echte reden voor de hang naar bezit een diep gewortelde behoefte aan veiligheid, “hetgeen zo gemakkelijk een muur om ons heen kan bouwen … achter deze muur die ons echter isoleert, kunnen we zo veilig lijken.” Toch “ligt onze werkelijke rijkdom en glorie in Hem en niet uitsluitend in bezittingen.”

 

Voor John Main wordt dit beaamd door de manier waarop we bidden, door onze relatie met Christus. Hij citeert Johannes Cassianus’ advies om “de activiteit van onze geest te beperken tot de eenvoud van een enkele frase” – de essentie van meditatie. “Dan wordt onze ‘veiligheid’ niet gebouwd op negatieve (zelf gecentreerde) kracht, maar geworteld in de enige positieve kracht in de kosmos, God zelf.” Dat is de ware betekenis van de woorden van Jezus: “Ieder die zijn leven wil behouden, moet het eerst verliezen.” Dit open gebed met slechts één frase is de eerste stap die we moeten zetten naar armoede – eenvoud, naar het centraal stellen van God in ons leven. Want door dit te doen overstijgen we gaandeweg onze door ons ego opgebouwde gedachten, percepties en illusies en worden we ons bewust van ons ware zelf, gecentreerd op Christus die in ons woont.

 

Zoals we lazen in de vorige lesbrief betekent dit niet dat andere gebedswijzen onbelangrijk zijn – alle liturgische gebeden of lofprijzingen, belijdenis en bedes hebben ook hun plaats in onze gebedscyclus. Maar in laatste instantie is de bedoeling van gebed een in eenvoud reiken naar God zonder van zichzelf bewust te zijn, hetgeen leidt tot eenheid van zijn op het diepste niveau.

 

Maar de waarde van deze eenvoudige gebedswijze accepteren is niet makkelijk in onze huidige maatschappelijke context. In de ‘Derde Conferentie’ spreekt John Main over de reactie van een Ramakrishna monnik aan wie hij het onderricht van Christelijke meditatie

uitlegde. De monnik verklaarde dat hij het volledig eens was met John Main’s uitleg, maar hij voegde eraan toe: “Als je dit vertelt aan een groep westerlingen zullen ze je gewoon niet geloven, omdat het te eenvoudig lijkt. Wat ik je nu aanraad is om het geheel een beetje gecompliceerder te maken. Dus wanneer de mensen komen vertel ze dan dat je wat mystieke kennis hebt, die overgedragen is via de monastieke orde, via Johannes Cassianus – ja, dat is een goed klinkende naam – en de mensen zullen geïnteresseerd zijn. Je moet ze vertellen dat deze kennis van groot belang is, maar dat je hen deze niet kan geven voordat ze voor minstens 10 weken of iets dergelijks naar je meditatiecentrum gekomen zijn. En dan tot slot kun je ze inwijden in het onderwerp.”

 

Hoewel John Main het gebruikelijke door de monnik naar voren gebrachte probleem zag, was hij trouw aan het onderricht en benadrukte hij dat wat we alleen maar “de mantra in volkomen eenvoud en volkomen getrouw hoeven te zeggen.”

Lesbrief 4.5 - De mantra zingt in ons hart

De mantra zingt in ons hart
door Kim Nataraja

 

Swami Satyananda heeft John Main geleerd te mediteren door een mantra, een heilig woord of frase, gedurende de hele gebedsperiode te herhalen. Het is daarom niet verrassend dat het John Main, bij het lezen van de Tiende Conferentie van Cassianus, opviel dat Cassianus de nadruk legde op het gebruik van een enkele frase om stil van geest te worden, dat essentieel is voor waar contemplatief gebed. Cassianus zegt daar: “Deze mantra moet altijd in je hart zijn. Als je gaat slapen, zeg dit vers, totdat je – door erdoor gevormd te zijn – eraan gewend raakt het zelfs in je slaap te herhalen …. Laat het het eerste zijn waar je mee wakker wordt.” Zo zal het “anticiperen op al je ontwakende gedachten” en zal het er gedurende de hele dag zijn in “de kleine vertrekken van je hart.” We voelen allemaal de waarheid hiervan. Als je om een of andere reden je morgenmeditatie gemist hebt, loopt de dag niet helemaal hetzelfde als gewoonlijk.

 

Uit het onderricht van Cassianus blijkt ook duidelijk dat ons dagelijks leven ons gebed beïnvloedt en andersom: “Daarom moeten we buiten ons gebedsuur zijn wat we willen zijn als we bidden. Want de geest wordt tijdens de gebedstijd onvermijdelijk gevormd door wat vooraf plaatsvond. Wanneer we bidden wordt onze geest oftewel naar de hemel of naar de aarde geleid door de gedachten waarop onze geest gefocust was voorafgaand aan het gebed.”

 

Als je anderen vertelt dat John Main zijn onderricht baseert op dat van Cassianus, dan is het antwoord van hen die de vroege oorsprong van christelijke meditatie met tegenzin accepteren, dat het onderricht niet hetzelfde is. Natuurlijk is het niet identiek. Beide richtten zich op een verschillend publiek – Cassianus tot hen die gekozen hadden voor een leven als non of monnik in kloosters en John Main daarnaast tot iedere vrouw of man in een gewoon werkzaam leven, geïnteresseerd in een dieper gebedsleven. De schoonheid van elke traditie is dat zij zich door de tijd heen ontwikkelt en daarbij trouw aan zichzelf blijft.

Terugblikkend op de woestijnkluizenaars zien we dat ze niet alleen maar de hele dag door zaten te bidden. Ze werkten als dagloners op de velden van de vruchtbare Nijldelta of vlochten touw en maakten manden voor de verkoop op de markten. Ook onderhielden ze een tuin (in de woestijn!), die niet alleen henzelf van voedsel voorzag, maar ook de dorpsbewoners om hen heen. Maar de hele tijd dat ze aan het werk waren herhaalden ze steeds hun ‘formula’, zoals Cassianus het noemde. Dit is de kern van John Main’s en Cassianus’ meditatieonderricht: het continu herhalen van jouw woord wat je ook aan het doen bent, zal je leiden van het zeggen naar het klinken tot het luisteren naar de mantra. Dan zal de mantra in je hart zingen waardoor je de verstrooiingen kunt negeren. “Het is eenvoudig maar veeleisend. Het waarlijk eenvoudige is zelden gemakkelijk,” zegt John Main.

 

Maar hij waarschuwt ons ook om er niet over te oordelen tijdens het mediteren: zeg ik de mantra, luister ik ernaar of klinkt het al in mijn hart? De essentie is “om de mantra alleen maar met uiterste eenvoud en uiterste trouw te zeggen. Zonder verwachting.” En dan komt het moment spontaan als je op een nacht wakker wordt of als er een pauze is in je dagelijkse bezigheden, dat je je bewust wordt van de mantra die in je hart klinkt en die een permanente verbinding vormt met het Goddelijke en, langzaamaan – zonder dat we het ons bewust zijn – ons denken, verlangen en doen geheel doordringt. Dan worden we wie we in essentie werkelijk zijn.

Lesbrief 4.6 - John Main en de vroege Kerkvaders

John Main en de vroege Kerkvaders
door Kim Nataraja

 

We zagen hoe verheugd John Main was toen hij bij Cassianus las over de manier van bidden, die voor hem zo belangrijk was. Maar dat is niet het enige in het onderricht van Cassianus dat bij John Main weerklank vond. Hij ontdekte meer dan alleen het bidden met een gebedswoord, hij verbond zich opnieuw met een Christelijke visie die tegenwoordig buitengewoon nodig is, een die de nadruk legt op heelheid en een spiritueel onderling verband tussen de gehele mensheid, de schepping en het Goddelijke. Dit is de reden waarom broeder Bede Griffiths hem ‘de belangrijkste spirituele gids in de hedendaagse Kerk’ noemde.

 

John Main verwoordt zijn visie duidelijk in het voorwoord van Word into Silence (Van Woord naar Stilte): “De schoonheid van de christelijke levensbeschouwing ontplooit zich in haar visie van eenheid. Hierin wordt de gehele mensheid verenigd met de Ene die één is met de Vader. Alles, inclusief de schepping, wordt in een kosmische beweging naar eenheid getrokken, omdat deze de verwezenlijking is van de goddelijke harmonie.”

 

Daarom staat de mensheid niet los en geïsoleerd in een onverschillig universum, maar is door Christus nauw verbonden met het geheel en vormt daar een belangrijk deel van. Deze sterke overtuiging van John Main dat “Jezus zijn Geest gezonden heeft om in ons te wonen, waardoor wij allen heilige tempels worden: God woont in ons … We weten dan dat we delen in Gods natuur” verbindt hem zowel met Paulus (“dit is het geheim – Christus leeft in je”) als met de vroege kerkvaders Clemens van Alexandrië (150-215) en Origines (186-255). De laatste verwoordde dezelfde visie over de Realiteit in vergelijkbare woorden: “elk spiritueel wezen is – in zijn natuur – een tempel van God, geschapen om de glorie van God in zichzelf te ontvangen.” Door deze diepe verbondenheid met het Goddelijke zijn we in essentie als God en kunnen we de Aanwezigheid van God ervaren. Het is deze diepgaande relatie die onze manier van bidden rechtvaardigt, en ons in staat stelt ons te openen voor het “wonder en de glans van God”, volledig bewust “dat we een zijn met God.”

 

Maar in het vroege onderricht wordt nadrukkelijk onderstreept – net zoals bij John Main – dat woorden achterwege gelaten moeten worden. Clemens van Alexandrië zegt dat het goddelijke mysterie puur zijn is: “Het besef van puur zijn laat je het dichtst bij God komen … Hij is onzegbaar, voorbij alle spraak, voorbij elk concept, voorbij elke gedachte.” Daarom kunnen we alleen door de poort van diep stil gebed in relatie met God treden en zijn Aanwezigheid ervaren. Clemens beschrijft dit gebed als volgt: “We bidden … en wanneer we in het binnenste ‘vertrek’ van onze ziel zijn aangekomen nemen we onze toevlucht tot slechts één gedachte en ‘met zuchten te diep voor woorden’ roepen we de Vader aan, die al aanwezig is terwijl wij nog spreken.”

 

Het onderricht van Jezus over gebed, zoals dat beschreven wordt in Mt 6,6 (“Maar als je bidt, ga dan je binnenkamer in, doe de deur dicht, bid tot je Vader, die in het verborgene is; en je Vader, die in het verborgene ziet, zal het je lonen”), is de basis van al het onderricht dat volgde. In die eerste eeuwen van het christendom lag de nadruk op het volgen van de traditie en niet op individuele interpretaties en ideeën zoals in onze tijd. Alleen als het de woorden van Jezus getrouw weergaf zou een uitspraak authentiek bevonden worden. Daarom zien we dezelfde nadruk op stilte, eenzaamheid en weinig woorden in het onderricht van de vroege Kerkvaders en onder de Woestijnvaders en -moeders. Hun theologie, hun taalexpressie, werd gebaseerd op hun gebedservaring. Op dezelfde manier benadrukt John Main dat onze gebedservaring ons geloof rechtvaardigt.

Lesbrief 4.7 - Twee stromingen binnen het Christendom

Twee stromingen binnen het Christendom
door Kim Nataraja

We zagen hoe belangrijk het contemplatief gebed was voor de kerkvaders Clemens en Origines en voor de woestijnvaders en -moeders. We zagen ook hoe John Main in het werk van Cassianus de herhaling van een gebedswoord of frase als een weg tot contemplatief gebed opnieuw ontdekte. Maar John Main heeft nooit gezegd dat dit de enige weg was – er zijn andere zeer respectabele en beproefde manieren om de stilte van het contemplatief gebed binnen te gaan. Maar waarom is deze gebedswijze, die geworteld is in het onderricht van Jezus en door Cassianus geïntroduceerd in de Latijns Westerse Kerk, ongeveer vanaf de 16e eeuw ondergronds gegaan en waarom werd het sindsdien beschouwd als het privilege van enkele heiligen? Waarom moest het in de 20ste eeuw opnieuw ontdekt en onderwezen worden door geestelijke leraren, zoals John Main en zijn opvolger Laurence Freeman, Thomas Merton, Thomas Keating en Richard Rohr?

 

Reden hiervoor was dat meteen in het begin, ongeveer vanaf de 4de eeuw, expliciet twee verschillende stromingen binnen het Christendom waren ontstaan. De ene stroming benadrukte een zuiver en letterlijk geloof in de gezaghebbende geschriften als enig criterium voor een ware christen. De tweede stroming was van mening dat dit zeker noodzakelijk was maar niet voldoende; zij benadrukte het belang van een dieper niveau om zo intuïtieve kennis van God te verkrijgen door inzichten en ervaringen in diep stil gebed, een weg die door de Geest gewezen werd. Evagrius en Cassianus behoorden tot de tweede groep en traden in de voetsporen van Clemens en Origines. Voor hen en voor de gelijkgestemde woestijnvaders en -moeders was contemplatie onlosmakelijk verbonden met hun christenzijn. Maar keizer Constantijn de Grote, die de Christenen vrijheid verleende om hun geloof te belijden, begunstigde om eigen redenen onmiskenbaar de eerste stroming, die vertegenwoordigd werd door de grootste en best georganiseerde groep bisschoppen. Hij bestrafte alle kerken die Jezus en zijn leer anders interpreteerden. Van deze groepen vroeg hij extra belasting en eiste hij meer publieke dienstbaarheid.

 

Zo werd de eerste stroming het ‘orthodoxe’ aspect van het Christendom. Deze benadering onderstreepte een niet-reflectieve acceptatie van een paar geloofsovertuigingen, stimuleerde sterk moreel gedrag en verwierp elke intellectuele invalshoek, vooral als het een metaforische interpretatie van de Schrift betrof. Daarbij werd over het hoofd gezien dat Paulus in 2 Kor 3:6 zegt: “Want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.” Daar de ‘orthodox’ gelovigen in later eeuwen de fundering legden voor de Kerk zoals die door de eeuwen heen tot ons kwam, werd spiritualiteit sindsdien argwanend bekeken. Laurence Freeman zegt hierover: “Misschien is dit de reden waarom religieuze instituten … de contemplatieve potentie hebben gewantrouwd of wilden beteugelen. Waar zij daarin geslaagd zijn werd schade toegebracht aan de religie zelf, omdat de contemplatieve dimensie de wijze waarop religie getuigt van waarheid en openbaring, authentiek maakt.” Resultaat is dat religie en spiritualiteit - zelfs tegenwoordig nog – als twee tegenover elkaar staande eenheden beschouwd worden. In werkelijkheid zijn ze natuurlijk integraal verbonden: “Als religie het proza is van de ziel, dan is spiritualiteit haar poëzie.” (Opperrabbijn Jonathan Sacks) Door de twee van elkaar te scheiden, creëer je een disbalans, die religie zelf zwaar onder druk zet: “Religie is een heilige uitdrukking van het spirituele, maar als de spirituele ervaring ontbreekt dan wordt de religieuze vorm hol, oppervlakkig en te gewichtig.” (John Main)

Lesbrief 4.8 - Oorspronkelijk geschenk

Oorspronkelijk geschenk
door Kim Nataraja

 

Het was John Main’s vaste overtuiging dat “Jezus zijn Geest gezonden heeft om in ons te wonen, om ons allen te maken tot heilige tempels: God die in ons woont … We weten dan dat we delen in de natuur van God”. Zijn overtuiging werd gedeeld door de vroege Kerkvaders en toont ons derhalve dat we in essentie goed zijn. Hoe zouden we dat niet kunnen zijn, wanneer God in ons woont? Alle vroege Kerkvaders waren het met Clemens van Alexandrië eens dat: “Het woord van God werd mens, zodat je van een mens zou kunnen leren hoe je God wordt.”

 

Maar vanaf het midden van de 4de eeuw ontstond er een zienswijze ten aanzien van de schepping, die zich hiertegen verzette: God schiep alles uit het niets op een bepaald punt in de tijd – het dogma ‘creatio ex nihilo’. De conclusie die hieruit getrokken werd, was dat er dus geen overeenkomst tussen God en de mensheid bestond, maar in plaats daarvan een onoverbrugbare kloof – ons ‘beeld’ werd onherstelbaar beschadigd tijdens de zondeval en alleen Gods genade door Christus kon ons redden. Er was niets dat we zelf konden doen om onze ‘gelijkenis met God’ te herstellen, dus was zelfs contemplatief gebed van geen nut. Dit gezichtspunt zorgde ervoor dat de twee stromingen binnen het Christendom, die we in de vorige brief verkenden, nog verder uit elkaar dreven. Opnieuw werden de verdedigers van het contemplatief gebed verslagen.

 

Augustinus (354-430) formuleerde dit standpunt in het dogma van de ‘erfzonde’: mannen en vrouwen zijn fundamenteel zondig en zelfs de schepping is gemankeerd. De genade van God kon de mensheid en de schepping hun oorspronkelijke staat van essentiële goedheid niet teruggeven. Dit werd het officiële onderricht van de Kerk. Het leven werd in principe gezien als een strijd met de demonen en een leven van boetvaardigheid werd nodig geacht.

 

Maar die negatieve visie over de mensheid en de schepping is in tegenspraak met de woorden in Genesis en met het onderricht in de eerste drie eeuwen – en daarom ook niet conform aan het onderricht van Jezus. In die eerste visie werd contemplatie over de schepping – een volmaakte manifestatie van God – een eerste stap in het opstijgen naar God. Het staat ook haaks op Augustinus’ prachtige mystieke onderricht.

 

Op dit punt is het – gezien John Main’s achtergrond – interessant te constateren dat in de Keltische traditie de nadruk bleef liggen op het beeld van God in ons, dus op onze wezenlijke goedheid, en de schoonheid en volmaaktheid van de Schepping. Het was zowel de Schepping als de Schrift, die het Goddelijke liet zien en ons tot God leidde. Clemens van Alexandrië zei het als volgt: “Christus vergoddelijkt ons door zijn hemelse onderricht.” Zo sluit John Main aan bij de vroege christelijke vaders en de Keltische traditie.

 

Toch blijft het geloof dat we in essentie zondig zijn, al eeuwen en tot op heden, overheersen.

Dit was de reden waarom John Main het zo betreurde, dat moderne mannen en vrouwen “de steun van een gemeenschappelijk geloof in hun essentiële goedheid, redelijkheid en innerlijke integriteit verloren zijn.” Meditatie, contemplatief gebed, leidt ons weer naar het bewustzijn “van het vermogen van de menselijke geest in plaats van naar de beperkingen van het menselijk leven.”

 

Hoewel we in de basis goed zijn, zijn we natuurlijk niet zonder gebreken. Ons ego, onze door God gegeven overlevingsstrategie, doet ons dwalen. De beste manier om onze ‘gelijkenis met God’ te herstellen is Jezus’ aansporing om alles achter te laten. Dit betekent dat we ons gewonde ego met al zijn gedachten en onvervulde behoeftes die een sluier van illusie creëren en zo onze wezenlijke goddelijke kern verbergen, zouden moeten laten gaan. In de stilte is genezing. John Main zegt in Van Woord naar Stilte: “dan zien we ernaar uit om Hem te volgen in de puurheid van ons hart.” Dit is niet iets wat we door onze eigen inspanningen doen. Voor John Main en de vroege christenen is Christus onze bemiddelaar en gids, de brug tussen schepping en Schepper. In het contemplatief gebed sluiten we ons aan bij Zijn gebed. Het brengt ons thuis, omdat er “slechts één gebed is – de stroom van liefde tussen de Geest van de verrezen Jezus en Zijn Vader – waarin we opgenomen worden.”

Lesbrief 4.9 - Meditatie is voor iedereen

Meditatie is voor iedereen
door Kim Nataraja

 

We zijn er zo aan gewend te denken dat we ‘fundamenteel zondig’ zijn, dat we het moeilijk vinden de Schriftuurlijke verklaring dat ‘Het Koninkrijk (Aanwezigheid) van God binnenin ons ligt’ en dat we ‘Tempels van de Heilige Geest’ zijn, te accepteren. Als we deze waarheid echt kunnen accepteren, dan “kunnen we beginnen inzicht te krijgen in onze eigen mogelijkheden … tijdens de meditatie ontdekken we wie we zijn en waarom we er zijn.” Dit begrip ontstaat door de stilte van het contemplatieve gebed, waarin we “ons wenden tot de levende Geest van God, die woont in ons hart – en Hem ervaren.” Meditatie opent de deur naar deze stilte en diepgaande ervaring. De vroege Christenen zeiden: Meditatie brengt de geest naar het hart. Dan ervaren we niet alleen de totaliteit van ons eigen wezen, maar ook onze verbondenheid met de Schepping en het goddelijke. John Main zegt: “En dan worden we nog dieper bewustzijn van een harmonie, een scheppende heelheid, die we bezitten en beginnen we te voelen dat we onszelf voor de eerste keer hebben leren kennen.” Maar het betreft niet alleen maar onze eigen heelheid; we ervaren ook de waarheid van onze totale integratie met het geheel en we worden tot eenheid hersteld: “Ook alle materie, alle schepping, wordt in de kosmische beweging naar eenheid getrokken. Dit zal de verwerkelijking van de Goddelijke Harmonie zijn. Het zal ons leiden “naar de ervaring van … een nieuwe bekwaamheid tot werkelijke empathie, een bekwaamheid om in vrede te leven met anderen, en in vrede met de hele schepping.” Dan hoeven we ook niet langer te vragen naar de betekenis van ons bestaan – we weten. Onze betekenis wordt zichtbaar in de zorg voor onszelf, onze familie, onze buur en de hele schepping. Dan zullen we ‘leven … in al zijn volheid’.

 

We zijn echter zo geconditioneerd geraakt, dat we deze manier van bidden zien als zijnde alleen voor hoog spirituele mensen. Maar deze manier van eenpuntige aandacht werd vaak vergeleken met het 'volgen van het smalle pad'. Johannes Chrysostomus, een vroege kerkvader, en de aartsbisschop van Constantinopel zeiden: “Toen Christus ons vroeg het smalle pad bewandelen, bedoelde hij iedereen. De kloosterling en de leek moeten dezelfde hoogte bereiken … Zij die in de wereld leven, ook als ze getrouwd zijn, zouden in al het andere gelijk moeten zijn aan kloosterlingen. Je hebt het volledig mis als je denkt dat sommige zaken alleen gevraagd worden van gewone mensen en andere van kloosterlingen.” Paulus en ook alle apostelen richtten zich tot gewone mensen, de slagers, de bakkers en de kaarsenmakers.

 

Het is niet verwonderlijk dat de vele verschijningsvormen van meditatie zo belangrijk zijn in onze tijd. Als de gehele mensheid zich maar bewust zou kunnen worden van onze diepe onderlinge verbondenheid en eenheid, dan zouden we onze omgeving niet langer misbruiken en zouden milieurampen voorkomen kunnen worden; er zouden niet langer oorlogen zijn. De wereld zou samen werken om het probleem van overbevolking op te lossen.

Maar 'zuiver gebed' vraagt volgens Paulus: “durf, moed, geloof, engagement en volharding. Vooral de moed om 'het ego los te laten', de ambities, zorgen en illusies van het ego en “de  groeiende angst om niets te hebben om over te denken” niet de boventoon te laten voeren, zoals T.S. Elliot het stelde. Maar geloven dat “Er geen weg is naar de waarheid of de Geest is niet de weg van de Liefde. God is liefde.”

Lesbrief 4.10 - De kunst van het luisteren

De kunst van het luisteren
door Kim Nataraja

 

We hebben vaak gehoord dat meditatie eenvoudig, maar niet gemakkelijk is. Laten we even onderzoeken of dit klopt. In John Main's beschrijving van de stadia van meditatie staat het zeggen van de mantra op de eerste plaats. Daarmee doelt hij op het voortdurend herhalen ervan tijdens de hele meditatietijd. Als we beginnen met mediteren is dit ons eerste voornemen. Maar het is niet zo gemakkelijk als het lijkt. Het toont ons de eerste hindernis. Onze aandacht voortdurend helemaal bij ons woord te houden, is niet gemakkelijk. Het lijkt zo’n zich herhalend en mechanisch gedoe. Ons ego klaagt dan al heel snel en zegt: “Dit is saai! Steeds alleen maar het woord herhalen.” We vergeten echter dat het niet zomaar een woord is dat we herhalen, maar een gebedswoord waar we trouwe en liefdevolle aandacht aan willen schenken. Dus negeren we het commentaar van het ego. Vervolgens komen we onmiddellijk de tweede hindernis tegen, daar we andere gedachten moeten loslaten om in staat te zijn onze focus exclusief op onze mantra te richten. En ook dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Deze twee obstakels staan niet los van. Als we ons woord niet met volle aandacht zeggen, raken we het woord steeds kwijt tussen al onze gedachten.

 

Na een tijdje lijkt het dat we ons woord kunnen blijven zeggen, maar plotseling worden we ons gewaar van iets vreemds. We worden tweesporig, denk hierbij aan die oude taperecorders. Ze speelden een spoor af, maar je kon tegelijkertijd ook het andere spoor horen. We herhalen ons woord inderdaad steeds op het ene spoor, maar in plaats van onze gedachten los te laten, huppelen ze gezellig mee op het andere spoor. Een manier om daarmee om te gaan is afstand nemen van de gedachte en de daarbij gevoelde emotie door deze gedachte te benoemen en vervolgens terug te gaan naar het woord. Maar het voelt al gauw alsof we dat steeds maar doen. Opnieuw geeft het ego geringschattend commentaar. Het vertelt je dat je vaker terugkeert naar je mantra dan dat je je mantra zegt. Als we hier intuinen, is er geen weg meer terug. Irritatie en gezeur komen ook bij het ego vandaan en houden ons zo fijn onder controle. Het ego domineert ons met alle gedachten, zorgen, hoop, dromen, die het in de loop van ons leven verzameld heeft. Dit zijn echter precies de gedachten die we moeten loslaten. Zij maken deel uit van ons oppervlakkige bewustzijn, maar meditatie gaat over het overstijgen van het ego naar een dieper deel van ons bewustzijn. We moeten 'het zelf achterlaten' om ons werkelijke Zelf in Christus te vinden. Dit constant heen en weer switchen tussen de mantra en onze gedachten geeft het ego de gelegenheid ons af te houden van het mediteren door te benadrukken dat hier geen vrede te vinden is en in dit stadium kan de gedachte opkomen 'wat heeft dit allemaal voor zin – ik zit hier alleen maar en denk, meditatie is niets voor mij'. En we geven het op.

 

Om ons te helpen op onze weg hebben we tijdens de meditatie een tweede voornemen nodig: luisteren naar onze mantra als we haar zeggen. Diepgaand, minutieus luisteren laat ons onverdeeld aanwezig zijn, hetgeen een uitdrukking van liefde is. Laurence Freeman (in The Selfless Self) ziet deze manier van trouw aandachtig luisteren als een weg tot heelheid – de integratie van het ego met het ware zelf, een harmonie van ons totale wezen en bewustzijn. In muziektermen: “De validiteit, de zorgvuldige afstemming, de volledigheid, de muziek van het zijn wordt hersteld doordat wij in contact komen met de muziek voorbij onszelf ... We worden één in volledige harmonie door te luisteren naar een diepere harmonie … de diepere harmonie van Christus.” Deze houding van totale aandacht, die ons oppervlakkige bewustzijn achter zich laat, vraagt echter een houding van moed, betrokkenheid, doorzettingsvermogen en vertrouwen. John Main benadrukt in Van Woord naar Stilte: “Meditatie is het gebed van vertrouwen, omdat we onszelf moeten loslaten vóórdat de Ander verschijnt en zonder ingebouwde garantie dát Hij zal verschijnen.” Maar als we die moed en dat vertrouwen vinden, is het niet langer een kwestie van zeggen of luisteren, maar dan klinkt de mantra in ons hart, in de kern van ons wezen, waar Liefde woont. God is Liefde.

Lesbrief 4.11 - De uitdaging om het zelf los te laten

De uitdaging om het zelf los te laten
door Kim Nataraja

We zagen hoe belangrijk én hoe lastig het loslaten van onze gedachten is. We moeten echter steeds voor ogen houden dat we veel meer zijn dan een geest vol met gedachten, gevoelens, wensen en behoeften. Van ons hele zijn is dat slechts het topje van de ijsberg. Deze oppervlakkige identiteit, ons ego, is gebaseerd op doen, bepaald door conditionering in vele vormen. En toch is dit precies het ‘zelf’ – het gewonde en geconditioneerde handelende deel van ons ‘zelf’ – waar Jezus het over heeft, wanneer hij over ‘het loslaten van het zelf’ spreekt. Natuurlijk hebben we dit deel van onszelf, ons ego, het ons door God gegeven overlevingsinstinct, nodig. Maar we hebben het gezonde ego nodig; we laten onze kwetsuren, spanningen, zorgen, angst om niet te overleven, onze doodsangst, los. Om dat te kunnen doen, hebben we het lef, de moed, het geloof en het vertrouwen nodig, waar Paulus over spreekt. Alleen dan kunnen we dieper gaan en tot het besef komen dat we meer zijn dan ons uiterlijke omhulsel van gedachten.

 

Maar dit uiterlijke omhulsel, dat op doen gebaseerd is, is dominant en wordt in onze huidige maatschappij zeer gewaardeerd. Tegenwoordig worden prestatie en het bereiken van een positie met macht en invloed als belangrijk beschouwd. Het onderricht van Jezus gaat tegen deze cultuur in. John Main zegt hierover in Van Woord naar Stilte: “Afstand doen van het zelf is geen ervaring waarmee onze tijdgenoten vertrouwd zijn, of die ze zelfs maar begrijpen, vooral omdat onze maatschappij ertoe neigt het belang van zelfpromotie, zelfbehoud en een goed zelfbeeld te benadrukken.” Jezelf wegcijferen en nederigheid worden gezien als een teken van zwakte. Bovendien houdt het door angst geregeerde ego niet van verandering en wil dus niet dat je in contact komt met de diepere delen van je bewustzijn, de rest van de ijsberg die onder je gedachtengolven ligt, want verandering betekent de noodzaak van een andere overlevingstactiek. Het ego weet dat stilte transformeert en schrikt voor zo’n transformatie terug. Zo laat het ons vergeten dat we ook een dieper zelf hebben dat gebaseerd is op zijn. Deze diepere kant is zuiver bewustzijn en ook individueel, niet aangetast door actie en omgeving. Het bestaat zuiver om te bestaan. Het is inhoudsloos, verbonden met een sfeer voorbij tijd en ruimte. Maar velen in onze huidige wereld zullen ontkennen dat er een andere werkelijkheid is buiten de werkelijkheid die we met onze zintuigen kunnen ervaren of in onze laboratoria kunnen testen. En toch, 95% van het Universum is gevuld met donkere materie en donkere energie, waarvan we ook niet kunnen bewijzen dat het bestaat, maar de effecten ervan kunnen desalniettemin worden waargenomen. Op dezelfde manier kunnen we ook het bestaan van een dieper, alomvattend zelf niet bewijzen, maar we kunnen het wel ervaren. We kunnen het ontdekken door de stilte binnen te gaan – de stilte waar we door meditatie toegang toe krijgen.

 

In onze tijd verlangen we er niet alleen naar deze andere werkelijkheid te leren kennen maar ook ons eigen werkelijke zelf. John Main zegt in Van Woord naar Stilte: “Weinig generaties zijn zo introvert en zelfanalytisch geweest als de onze, en toch heeft het bestuderen van zichzelf door de moderne mens zeer weinig opgeleverd. De reden hiervoor is dat het zelfonderzoek de spirituele kant totaal onbelicht liet. Geen enkele intellectuele zelfanalyse kan in de plaats komen van werkelijke zelfkennis in de grond van ons wezen.” Maar er zijn bemoedigende tekenen. De zoektocht naar wie we werkelijk zijn, wordt steeds meer de zoektocht naar de grond van ons wezen, een spirituele zoektocht en velen beseffen nu de waarheid in de woorden van John Main: “Om onze werkelijke aard te vinden moeten we stil worden en hem toestaan tevoorschijn te komen uit de duisternis waarnaar hij werd verbannen. Om zover te kunnen komen moeten we stil worden. De stilte is onze pelgrimage en de weg van de pelgrim is de mantra.”

Lesbrief 4.12 - Wie denken jullie dat ik ben?

Wie denken jullie dat Ik ben?
door Kim Nataraja

 

We hebben het belang van zelfkennis op twee niveaus onderzocht: de zelfkennis van het ego met de blokkades die het op de spirituele reis laat zien en de ware kennis van de grond van ons wezen als ‘kinderen van God’.

Laurence Freeman begint zijn boek ‘Jesus, the Teacher Within’ met de vraag die Jezus aan zijn discipelen stelt: ‘Wie denken jullie dat Ik ben? Toen Hij eens alleen aan het bidden was en zijn leerlingen bij Hem kwamen, stelde Hij hun de vraag: 'Wie zeggen de mensen, dat Ik ben?' Zij antwoordden: 'Johannes de Doper; anderen zeggen: Elia, en weer anderen: Een van de oude profeten is opgestaan.' Hierop zei Hij tot hen: 'Maar jullie, wie denken jullie dat Ik ben?' Nu antwoordde Petrus: 'De Gezalfde van God.' (Lc 9,18-20)

 

Jezus stelde deze vraag niet vanuit een egocentrische behoefte aan waardering, maar vanuit het perspectief van gebed. Hiermee hielp hij de discipelen tot eigen inzicht te komen. ‘Wie denken jullie dat Ik ben?’ De reacties laten ons zien dat zelfs toen, terwijl ze steeds in de nabijheid van Jezus waren, ieder een eigen invalshoek had, die niet voortkwam uit onmiddellijke kennis van Jezus, maar uit eigen persoonlijke en culturele optiek. En door de tijd heen is deze manier van reageren niet veranderd. Ons antwoord wordt ‘beperkt door onze persoonlijke en culturele blik. Als we eenmaal een vaste voorstelling van Jezus hebben gemaakt in onze geest, is het verleidelijk onze meningen en vooroordelen hierop te baseren’. De antwoorden zeggen meer over ons dan over Jezus.

 

We vermijden het om over deze vraag van Jezus na te denken. Laurence Freeman stelt: “Voor vele christenen …. is dit een vraag waar ze nooit echt serieus naar geluisterd hebben of persoonlijk hebben opgevat. Dit zou een diepgaande impact hebben op zowel hun zelfkennis als op hun aanvoelen van wie Hij is.” We voelen ons ongemakkelijk en zelfs wat angstig om niet alleen de vraag wie Jezus is, maar wie wij werkelijk zijn, echt onder ogen te zien. Wat we ook meekrijgen uit De Schrift over de Goddelijke grond van ons zijn, onze pijn en conditionering verhinderen ons dit echt op persoonlijke grond te accepteren. Het vereist dat we onze ‘demonen’ onder ogen zien, ‘onze schaduw’, en dat is moeilijk, omdat het verandering betekent en verandering is altijd lastig en pijnlijk. We hebben moed, nederigheid en geloof nodig om onze ‘demonen’ het hoofd te bieden. Maar het gezegde luidt: “Benoem je demonen en je hart zal ze meer aanvaarden.” Als we dit niet doen, zullen we gevangenen blijven van onze behoeftigheid en passies. Alleen zelfkennis, die gedragen wordt door genade, leidt door het openen van al onze bronnen naar ware vrijheid, inclusief ons intuïtief vermogen contact te maken met Kosmische Liefde en Wijsheid. Op een bepaald niveau delen we in “het universele weten, dat we niet alles kunnen kennen, laat staan God, zonder onszelf te kennen.” Zelfkennis, kennis van Jezus en van God zijn een.

 

Het belang van zelfkennis wordt niet alleen benadrukt door spirituele leraren maar ook door filosofen. ‘Mens ken uzelf’ stond geschreven boven de ingang van het Delphi Orakel in het Oude Griekenland. En van Socrates horen we ‘Het niet-geleefde leven is het niet waard geleefd te worden’. Voordat we Jezus kunnen ‘kennen’ moeten we eerst ‘onze deuren van perceptie reinigen’, door ons te bevrijden van onze valse waarneming van onszelf en God. Deze ware zelfkennis is derhalve geen zelfkennis omwille van zichzelf, maar het is een weg om in contact te komen met ons werkelijke zelf en de Goddelijke Werkelijkheid die ons doordringt en helpt. Bovendien gaat zelfkennis hand in hand met het verwerkelijken van ons volledig potentieel. Jezus zegt hierover: “Ik ben gekomen, opdat zij leven zouden bezitten en wel in overvloed.” (Joh 10,10) Hoe weinig mensen hebben werkelijk naar het innerlijke onderricht van Jezus geluisterd en het hun leven laten transformeren!

 

Lesbrief 4.13 - Meditatie als weg tot zelfkennis

Meditatie als weg tot zelfkennis
door Kim Nataraja

 

In ‘Jesus the Teacher Within’ benadrukt Laurence Freeman dat het niet mogelijk is Jezus met ons verstand te kennen; in plaats daarvan moeten we binnengaan in de diepte van ons wezen en Hem kennen met ons hart: “Het ontdekken van Jezus’ identiteit wordt niet bereikt via intellectuele of historische kennisoverdracht. Dit vindt plaats als onze intuïtieve diepte wordt geopend naar diepere en subtielere wegen van kennis en begrip dan waar we aan gewend zijn. Dit is gebed … een binnengaan in een innerlijke ruimte van stilte, waar we tevreden zijn zonder antwoorden, oordelen en beelden. … Het is de ondefinieerbare stilte bij de essentie van het mysterie van Jezus, die uiteindelijk zijn ware identiteit onthult aan hen die het ervaren.” (blz. 30/32)

 

Gebed is de poort naar werkelijke kennis van Jezus – en zo van onze ware natuur – en door Hem van God. Voor die reis – die “reis van wakker worden”– is meditatie die tot contemplatief gebed leidt onontbeerlijk. Het helpt ons af te dalen naar het centrum van ons wezen waar we “in relatie tot en in verbondenheid met de Geest ontdekken wie Jezus is.” (blz. 213)

 

Maar meditatie doet meer dan dat: “Met meditatie bedoel ik niet alleen het bidden maar ook het ontdekken van het hele levensgebied van zelfkennis.” (blz. 242) In de stilte van ‘louter gebed’ ontvangen we door genade inzicht dat ons helpt de wonden, die ons blokkeren om ons bewust te worden van ons ware zelf, te ontdekken. Het helpt ons bewust te worden van onze ‘schaduw’. Tegelijkertijd doet het contemplatief gebed de diepe, intuïtieve kennis van de liefdevolle geest van Christus, die in ons werkzaam is, groeien. Deze bemoedigt ons onszelf te accepteren zoals we zijn, net zoals Hij doet. Zo geneest Hij onze wonden en maakt Hij ons heel. Laurence Freeman brengt wederom naar voren dat “het essentieel is voor het Christelijk geloof dat we met pure aandacht naar Jezus luisteren, totdat we onszelf verliezen … zo wordt Hij … een ‘poort’, die naar zelfkennis leidt.” (blz. 42)

 

Het is belangrijk in gedachten te houden over welk soort gebed we het hebben. We spreken over diep, stil contemplatief gebed, niet over het gebed waar we “slechts voor de vorm mee bezig zijn of het rituele mondgebed.” (blz. 34) Niemand drukte dit beter uit dan T.S. Eliot in ‘Vier Kwartetten’ (‘Four Quartets’)

 

Je bent hier om te knielen
waar het gebed gebruikelijk is.
Maar het gebed is meer
dan een aaneenschakeling van woorden, de bewuste actie
van de biddende geest of de klank van de biddende stem.

 

Laurence Freeman zegt vervolgens: “Jezus is een onmisbare kracht om een authentieke spiritualiteit te verwezenlijken. Hoewel de meeste mensen problemen hebben met de kerk – zoals ook de meeste kerkgangers zelf – is de persoon van Jezus een van de onveranderlijke bakens, die de mensheid voorbij zelfzucht en zijn steeds wanhopig streven naar hogere doelen van vriendelijkheid en zielenrust, leidt.” (blz.15) In onze tijd neigen velen ertoe het kind met het badwater weg te gooien, maar “om Jezus te negeren vanwege de onvolmaaktheid van de kerken is een dwaasheid van tragische omvang … Anderzijds, het Christendom moet getransformeerd worden.” (blz. 241)

Lesbrief 4.14 - De meditatiebeoefening

De meditatiebeoefening
door Kim Nataraja

 

We hebben besproken hoe essentieel meditatie is voor onze persoonlijke groei en transformatie tot de mens naar Gods bedoeling. De trouwe herhaling van een gebedswoord, een mantra, leidt ons zonder twijfel naar de stilte en de eenzaamheid van het ‘zuivere’ gebed, zoals de woestijnvaders en –moeders het noemden – het gebed van het hart, niet van het denkvermogen. De vaak gestelde vraag echter is ‘Waar wordt dit in de Schrift onderwezen?’

 

In Jesus the Teacher Within leidt Laurence Freeman ons door het gebedsonderricht van Jezus, zoals dat opgetekend is in hoofdstuk 6 van het Evangelie volgens Mattheus.

Toen de leerlingen Jezus vroegen hoe ze moesten bidden, begon Hij met wat we nu kennen als het Onze Vader. Als je het Onze Vader in het Aramees, de taal die Jezus sprak, hoort, dan lijkt het ‘een verzameling korte ritmische zinnen’, makkelijk te onthouden en makkelijk te scanderen of zingen. Het is niet moeilijk voor te stellen hoe het aandachtig en trouw herhalen van deze zinnen kan leiden tot ‘rust en inzicht’.

https://www.youtube.com/watch?v=NUhif7M0B7M

 

Als Jezus zegt: “Zorg ervoor dat je tijdens het bidden niet opvalt bij de mensen” (Mt 6,5), benadrukt Hij dat niet het ego de drijfveer voor gebed moet zijn. Het ego zoekt waardering in de ogen van anderen. Het ware gebed ontspringt uit ons pretentieloze, eerlijke ware Zelf, onze Goddelijke vonk, en leidt tot een diep bewustzijn van onze verbinding met God. Om dat te laten gebeuren raadt Jezus uiteraard stilte en eenzaamheid aan: “Als je bidt, ga dan je binnenkamer in, doe de deur dicht en bid tot je Vader die in het verborgene is; en je Vader die in het verborgene ziet, zal het je lonen.” (Mt 6,6)

 

Johannes Cassianus verwoordt de werkelijke betekenis achter deze uitspraak heel mooi: “We bidden in onze kamer wanneer we ons hart volledig terugtrekken uit het geraas van elke gedachte en zorg en onze gebeden in het verborgene toevertrouwen aan God. We bidden met gesloten deuren als we, met gesloten lippen en in volledige stilte, bidden tot de zoeker naar harten, niet naar stemmen.” De nadruk ligt daarom op innerlijkheid, op het gebed van het hart, dat mogelijk gemaakt wordt door het gebruik van ‘weinig woorden’: “Gebruik geen omhaal van woorden … Jullie Vader weet wat je nodig hebt, voordat je het Hem vraagt.” (Mt 6,7-8)

 

Jezus maakt ons er vervolgens op attent dat gedachten – vaak zorgen – zeer belemmerend zijn voor het naar binnen gaan: “Daarom zeg ik jullie: maak je niet bezorgd over wat je zult eten of drinken om in leven te blijven en ook niet over de kleding voor je lichaam.” (Mt 6,25) Laurence Freeman: Dit betekent niet een totale veronachtzaming van onze basale levensbehoeften. We moeten eten en drinken. Het probleem is echter dat we denken dat ons geluk alleen hierin ligt. Maar het geluk ligt in het vinden van ons ware Zelf. Het loslaten van deze gedachten en zorgen helpt ons bovendien het ‘hier’ en ‘nu’ te betreden: “Maak je dus niet bezorgd over de dag van morgen, want de dag van morgen zal zich wel bezorgd maken over zichzelf.” (Mt 6,34) Alleen in het ‘hier’ en ‘nu’ zullen we ons bewust worden van de Aanwezigheid van het Goddelijke in ons.

 

Het belang van “zuivere aandacht voor Gods kracht in het hart van alle realiteit” ligt uiteindelijk ten grondslag aan alles wat Jezus zegt: “Zoek eerst het Koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, dan krijg je dat alles erbij.” (Mt 6,33)

 

We vinden dit hele onderricht in de Bergrede. De woestijnvaders en –moeders hebben dit ter harte hebben genomen en het is op onze weg gekomen via John Main, die deze spirituele beoefening in de geschriften van Johannes Cassianus ontdekte.

Lesbrief 4.15 - Meditatie en verbondenheid

Meditatie en verbondenheid
door Kim Nataraja

 

Meditatie leidt ons de stilte in van diep contemplatief gebed. Het is een weg om ons te laten ontsnappen uit de gevangenis van het ego en zijn verlangens. Laurence Freeman zegt in ‘Jesus the Teacher Within’, dat “Jezus een ego had. Het is dus niet zo dat het ego op zichzelf zondig is. Egotisme, het gefixeerd zijn op het ego, leidt tot het vergeten van en het verraad aan ons ware Zelf. Zonde treedt op als het ego verward wordt met het ware Zelf… Jezus laat ook zien dat het in het menselijk vermogen ligt te leven in een gezonde balans tussen het ego en het Zelf.” (blz. 242) Als we ons bewust worden van onze blokkades, dan is het ego in staat door te dringen tot de energie en het bewustzijn van ons werkelijke spirituele Zelf. Dit is de ware navolging van Christus.

 

We moeten niet vergeten dat het ego opgebouwd is uit de gedachten en beelden die anderen van ons hebben en die we ons door de jaren heen hebben eigen gemaakt. Het zijn slechts gedachten, vaak pure verbeelding. Het is niet hoe we werkelijk zijn. Maar de trucjes van het ego doorzien en zijn klemzettende dominantie doorbreken, kunnen we niet zelf. Alleen door de stilte binnen te gaan, waar de geest en het Christusbewustzijn aanwezig zijn, krijgen we inzichten die ons een uitweg bieden. Onze groeiende zelfkennis hangt daarom in de eerste plaats af van gebed en geestelijke begeleiding. De geest handelt echter niet alleen in de stilte, maar gebruikt ook andere mensen om ons bewust te maken van onze schaduw, via onze instinctieve reacties en onze vooroordelen. Als we onze schaduw gaan ontdekken, worden we meer empathisch en open naar anderen – we herkennen hun gewondheid als de onze.

Meditatie staat aan de basis van onze relaties, zowel in vriendschappen als in de gemeenschap. John Main benadrukt steeds dat meditatie gemeenschap creëert. In de diepe stilte ervaren we dat we niet op onszelf staan, maar door het diepere spirituele deel van ons bewustzijn diep verbonden zijn. Door het diepe aandachtige luisteren, wat meditatie is, leidt zelfkennis zo tot het kennen van anderen en het weten dat Christus in ons leeft. En deze manier van aandacht geven dragen we van dag tot dag met ons mee: “Luisteren betekent, dat je je naar een ander wendt, dat je jezelf loslaat; en dat is liefhebben … Het is essentieel in het christelijk geloof dat ons aandachtig luisteren naar Jezus zo vredig is, dat we onszelf niet meer doen gelden … zodat Hij … een ‘deur’ wordt die naar zelfkennis leidt.” (blz. 42) Maar de confrontatie met al onze verdrongen en verloren delen vraagt grote moed en nederigheid: “Jezus laat de hoge prijs zien, waardoor zelfkennis wordt verkregen … Jezelf kennen vereist het ontheiligen van je zelf. Het vinden houdt verlies is. Zaden groeien alleen door te sterven … het vraagt steeds de dood van de oude illusies, gewoonten, waarden en overtuigingen van het ego.” (blz. 41)

 

Hij laat zien dat door meditatie en diep gebed deelname aan het Goddelijke in dit leven mogelijk is: “De mens Jezus deelt met ons hoe hij zelfs binnen de grenzen van zijn menszijn God kon ervaren. Hij wist wat gebed werkelijk betekent … Hij kende de goddelijke aanwezigheid in het hart van het gebed.”(blz. 245)

 

Dit bedoelde Jezus toen Hij zei: “Ik ben gekomen opdat zij leven mogen hebben en leven in al zijn volheid.” Zijn hele leven en onderricht laat Hij ons de weg naar heelheid en heiligheid zien. “Jezus was volledig mens omdat zijn zelfkennis voortkwam uit het besef dat Hij één was met zijn Vader … Wij worden volledig mens en delen in het volledig goddelijke door de eenheid met zijn menszijn. In de Geest, de non-dualiteit van God, kan Jezus op menselijk niveau zijn hele wezen met ons delen.” (blz. 244)

Lesbrief 4.16- Je ware naam horen

Je ware naam horen
door Kim Nataraja

 

We hebben het samenspel tussen het ego, de schaduw en het ware zelf onderzocht en hoe belangrijk relaties zijn om je bewust te worden van je ware zelf en te groeien tot de mens naar Gods bedoeling.

Er is een prachtig verhaal uit de Rabbijnse traditie over het horen van de naam van je ware zelf:

Rabbi Yehuda Loew ben Bezalel was in zijn tijd de voornaamste Rabbi in Europa. Hij was de man die in zijn huis in Praag de Golem, de mensfiguur gemaakt van klei, tot leven wekte door onder zijn tong een stukje papier te leggen waarop de onuitspreekbare naam van God stond.

Op een nacht had Rabbi Yehuda een droom: hij droomde dat hij was gestorven en voor de troon gebracht werd. En de Engel, die voor de troon stond, zei tot hem: “Wie ben je?” “Ik ben de beroemde Rabbi Yehuda van Praag, de schepper van de Golem,” antwoordde hij. “Zeg me, mijn heer, of mijn naam in het namenboek van hen die zullen delen in het Koninkrijk geschreven is.” “Wacht hier,” zei de Engel, “Ik zal de namen lezen van al degenen die vandaag gestorven en in het boek geschreven zijn.” En hij las de namen, waarvan duizenden Rabbi Yehuda vreemd in de oren klonken; terwijl de Engel las, zag de Rabbi de geesten van hen wiens naam genoemd werd opgaan in de lichtkrans, die boven de Troon hing. Uiteindelijk stopte hij met lezen, en Rabbi Yehuda’s naam was niet genoemd. Hij huilde bitter en schreeuwde tegen de Engel. En de Engel zei: “Ik heb je naam genoemd.” Rabbi Yehuda zei: “Ik heb het niet gehoord.” De Engel zei: “In het boek zijn de namen van alle mannen en vrouwen geschreven, die ooit op aarde hebben geleefd, want elke ziel is een erfgenaam van het Koninkrijk. Maar velen die hier komen, hebben nog nooit hun ware naam op de lippen van man, vrouw of engel gehoord. Ze hebben geleefd alsof ze hun naam wisten; en als ze dan genoemd worden om in het Koninkrijk te delen, herkennen ze hun eigen naam niet. Ze herkennen niet dat de poorten van het Koninkrijk voor hen geopend worden. Dus moeten ze hier wachten totdat ze hun naam horen en hem kennen. Misschien heeft ooit iemand hen bij hun werkelijke naam genoemd. Ze zullen hier blijven tot ze stil genoeg zijn om te horen dat de Koning van het Universum zelf hen roept.”

Toen werd Rabbi Yehuda wakker en in tranen stond hij op. Hij bedekte zijn hoofd en ging plat op de grond liggen en bad: “Meester van het Universum! Schenk me, dat ik voor ik sterf eenmaal mijn eigen werkelijke naam hoor van de lippen van mijn broeders en zusters.”

In onze verdeeldheid denken we dat we weten wie we zijn en wat we hebben bereikt en zo blijven we in het rijk van het ego en horen we nooit onze echte naam.

 

Het evangelie van Johannes geeft met de ervaring van Maria Magdalena op Pinksterzondag een vergelijkbaar voorbeeld. Zij herkent Jezus niet in zijn werkelijke gedaante. Hier zijn het niet haar verdiensten of trots die in de weg staan, maar haar emoties die haar visie vertroebelen. Laurence Freeman licht toe: “Maria rouwt en lijdt aan de desolaatheid van onomkeerbare afwezigheid.” (blz. 61) Dus herkent ze Jezus niet als ze Hem ziet staan en denkt ze dat Hij de tuinman is. Pas wanneer Hij haar bij haar naam ‘Maria’ noemt, draait ze zich naar Hem om. Dit is het moment van ‘metanoia’ – het verder kijken dan de gewone realiteit naar de ware realiteit. Dan pas herkent ze Hem in zijn spirituele essentie – ‘Rabboeni’ – geliefde meester. Toelichting van Laurence Freeman: “Ze is tot zelfkennis gekomen, eenvoudigweg doordat ze gekend wordt door een ander. Hij kende haar en riep haar bij haar naam. Werkelijke zelfkennis … komt voort uit relatie. In zo’n relatie voelen we onszelf gekend en geliefd. Het centrum van ons bewustzijn is losgemaakt van de gebruikelijke egoïstische ankers en verplaatst zich naar de ander. Maria ging de weg van totaal verdriet naar zelfverwerkelijking.”

Lesbrief 4.17 - Het belang van de evangeliën

Het belang van de evangeliën
door Kim Nataraja

 

Tegenwoordig komen we een diversiteit aan vormen tegen, waarin het Christendom tot uitdrukking wordt gebracht. Veel mensen denken dat we zouden ontkomen aan deze diversiteit en een pure vorm konden ontdekken door terug te gaan naar de begintijd van het Christendom. Dit is helaas een illusie. Laurence Freeman zegt in ‘Jesus the Teacher Within’: “Het idee dat er ooit slechts een enkele, ongedifferentieerde Christelijke orthodoxie was die later versnipperd of verwaterd raakte, wordt niet ondersteund door de rijkdom en diversiteit van de invalshoeken die in de evangeliën gevonden worden.” (blz. 76)

Jezus was een charismatisch leraar die zijn wijsheid mondeling deelde. Het was erg moeilijk om de ware geest van zijn onderricht te pakken te krijgen. De vroege christenen hoorden wat in hun wereldvisie paste, wat bij hen resoneerde. Zodoende werden Zijn woorden gefilterd door hun culturele, mentale, psychologische en emotionele context. Het resultaat was dat er uiteenlopende interpretaties en verhalen van Jezus’ leven en onderricht waren en elk daarvan had een eigen strekking. Vandaar de tegenstrijdigheden. “Lucas opent zijn evangelie met de opmerking dat er veel andere verhalen in omloop zijn in de eerste eeuw na Zijn opstanding: “Velen hebben zich er al toe gezet het verhaal te doen van wat zich bij ons heeft voltrokken, aan de hand van de overlevering van de oorspronkelijke ooggetuigen die dienaar van het woord zijn geworden.” (Lc 1,1-4) – (blz. 75)

 

Laurence Freeman vervolgt: “We weten in feite nooit zeker wie de evangeliën schreef die toegeschreven werden aan Mattheüs, Marcus, Lucas en Johannes … Jezus deelde zijn boodschap mondeling … Het is het levende onderricht van ‘iemand die met gezag onderwees’… Als teksten ontwikkelden ze zich zowel in mondelinge als in geschreven tradities, maar werden verder verfijnd door persoonlijk gebed en gezamenlijk gesprek.”

(blz. 71/72). We moeten ook onthouden dat deze vier canonieke evangeliën “geschreven werden voor mensen die twee of drie generaties na de beschreven gebeurtenissen en buiten Palestina leefden … De evangeliën zijn verschillende vensters waardoor dezelfde werkelijkheid gezien wordt.” (blz. 76)

Het bewijs voor deze vroege diversiteit kan gevonden worden in de geschriften die tot ons gekomen zijn. Paulus wijst de Korintiërs terecht: “Ieder van u schijnt zijn eigen leus te hebben: ‘Ik ben van Paulus’. ‘Ik ben van Apollos’. ‘Ik van Kefas’, ‘Ik van Christus’.” (1 Kor 1,12) In Handelingen en Galaten lezen we zelfs over verschil van mening tussen Petrus en Paulus, Paulus en Jacobus, en Johannes en Thomas. Deze verdeeldheid was niet constructief, vooral omdat het plaatsvond in een tijd van vreselijke vervolgingen en martelaarschap.

 

Bovendien was er in deze vroege eeuwen eigenlijk geen enkel herkenbaar instituut zoals de huidige Kerk. Er waren zeer weinig bisschoppen, geen geloofsbelijdenissen en er was geen overeengekomen canon van de Schrift. Afgezien van Alexandrië, waar ingezegende gebouwen waren die beschermd werden door Rome, ontmoetten mensen elkaar uit veiligheidsoverwegingen in aparte verspreide huisgroepen - zeer vergelijkbaar met onze huidige meditatiegroepen over de hele wereld.

 

Om met deze diversiteit om te gaan, besloot Ireneaus, Bisschop van Lyon (130-202 AD), een van de toenmalige zeldzame bisschoppen, slechts vier evangeliën – Mattheüs, Marcus, Lucas en Johannes - en de brieven van Paulus te erkennen als ‘orthodox’ d.w.z. ‘rechtzinnig denken’. Het zou ‘de canon’ gaan vormen, de leidraad, om eenheid in de vroege Kerk te brengen. Hij verkoos het Evangelie van Johannes boven dat van Thomas – hoewel de laatste erg populair was – enkel vanwege een persoonlijke keuze: zijn leraar Polycarp was een leerling van Johannes geweest. Irenaeus kon dus aanspraak maken op de zo belangrijke apostolische opvolging. Alle andere evangeliën - en de groepen die ze gebruikten - werden beschouwd als 'ketters', wat letterlijk ‘ervoor kiezen van de juiste leer af te wijken’ betekent. Sommige van deze hadden ook een apostolische afkomst, maar Irenaeus vond dat de grens ergens getrokken moest worden.

Lesbrief 4.18 - Lectio Divina en contemplatief gebed

Lectio Divina en contemplatief gebed
door Kim Nataraja

 

We zagen hoe belangrijk de evangeliën waren bij het ontstaan van het Christendom in de eerste eeuwen. Vaak wordt vergeten dat ze ook de bron van diep contemplatief gebed waren. “De christelijke spiritualiteit en haar mystieke traditie waren ten minste tot de twaalfde eeuw in de lectio divina – het verfijnd en onderscheidend lezen – geworteld. De woestijnmonniken zijn een vroege inspiratiebron voor zowel de lectio als voor het contemplatieve gebed, die zo nauw aan elkaar verwant zijn.” (blz. 77) De woestijnvaders en –moeders maakten in het algemeen nog steeds deel uit van de mondelinge cultuur; de woestijnmonniken luisterden bij voorkeur naar de Schrift tijdens hun wekelijkse bijeenkomsten, ‘synaxis’ genaamd, i.p.v. deze zelf te lezen. Hierna keerden ze terug naar hun cel en contempleerden over wat ze hadden gehoord. Op deze wijze zouden ze het in hun geheugen opnemen en ook de belangrijkste betekenis ervan tijdens hun werk in hun hart meedragen. Zo werd de Schrift hun gids en leidraad voor hun leven.

 

Clemens van Alexandrië (150-215) en Origines (186-251), die hem opvolgde als hoofd van de Catechetische School in Alexandrië, waren niet langer tevreden met de ‘letterlijke’ interpretatie van de Schrift, zoals die werd onderwezen door Irenaeus en enkele andere bisschoppen. Voor hen was dit alleen maar de eerste fase, ofschoon een belangrijke. Zij beschouwden het als het fundament voor ervaringskennis van het geloof, gebaseerd op diep contemplatief gebed en intuïtieve lezing van de Schrift. Voor hen waren contemplatie en theologie, hun gedachten over de Schrift gebaseerd op hun ervaring, onlosmakelijk met elkaar verbonden.

 

Origines beschrijft deze lectio divina benadering van de Schrift – een langzame, diepgaande en aandachtige manier van lezen – systematisch in zijn belangrijkste werk Grondbeginselen. “Hij zag het lezen van de Bijbel als een manier om het bewustzijn te verdiepen.” (blz. 81) Hij benadrukt dat er vier fases zijn bij het lezen van de Schrift. Hij wijst ons op de eerste fase: de tekst letterlijk nemen, concentratie op de oppervlakkige betekenis. Daarna benadrukt hij de noodzaak om verder te gaan dan de morele kant van het onderricht. Vervolgens moedigt hij ons aan nog verder te gaan naar de allegorische betekenis van dit gedeelte, hetgeen hij als essentieel beschouwt. Hierin is hij het volledig eens met Paulus: “Hij is het die ons bekwaam heeft gemaakt dienaars te zijn van een nieuw verbond, niet van de letter maar van de Geest. Want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.” (2 Kor 3-6)

Dit leidt ons uiteindelijk tot de ontdekking van de wezenlijke bedoeling van de gegeven tekst, zoals dit ook bij de woestijnvaders en – moeders gebeurde. Het werd gezien als een ontmoeting met de verrezen Christus: “Zo zou je de Schrift kunnen leren begrijpen – als de enige perfecte belichaming van het Woord.” Voor Origines en Clemens van Alexandrië en voor hen die hun interpretatie van Jezus’ onderricht overnamen was de eerste letterlijke fase, alhoewel een belangrijke, slechts de basis voor een ervaringsgericht verstaan van het geloof.

 

Maar Irenaeus was erg achterdochtig ten aanzien van deze contemplatieve benadering met haar allegorische interpretatie van de Schrift en hij gooide de verschillende groepen, die deze benadering omarmden, op een hoop onder de paraplu van ketterij. In zijn verhandeling Tegen de Ketters spreekt hij over “de zogeheten valse-gnosis” waarbij hij impliceert dat het Christendom, op de manier waarop hij het interpreteerde, de ware gnosis was. Clemens, die ongeveer in de zelfde tijd als Irenaeus leefde in de 2de eeuw, noemde volwassen contemplatieve christenen, die tot een dieper verstaan van hun geloof waren gekomen, de “ware Gnostici”. Hij rekende zichzelf graag tot hen.

Lesbrief 4.19 - God van liefde en barmhartigheid

God van liefde en barmhartigheid
door Kim Nataraja

 

Er is ons verteld dat Jezus is gekomen om zondaars te redden. Bovendien zijn we opgegroeid met het idee dat we allemaal zondaars zijn, hetgeen vaak versterkt werd door de preken in de Kerk. Dit is gebaseerd op het onderricht van Augustinus over de ‘erfzonde’. We hebben dit oordeel niet in twijfel getrokken, want wie heeft er nu nooit iets gedaan waar we niet erg trots op zijn? We zijn tenslotte onze eigen ergste critici. Maar dat gevoel van zonde en schuld waarmee we opgegroeid zijn vervormt ons beeld van de liefdevolle en barmhartige God – de werkelijke boodschap van Jezus. Het geeft ons het beeld van de oordelende God, “een externe macht die ons daadwerkelijk beloont als we de geboden nakomen en ons laat lijden als we ze schenden.” (blz. 108 – ‘Jesus the Teacher Within’) Daarom is ons geluk een beloning van God voor het leven van een rechtvaardig bestaan en ons ongeluk is een straf voor het niet nakomen van Zijn geboden. Dit geloof is niet alleen nu overheersend, maar was ook erg algemeen in Jezus’ tijd. “Zelfs de discipelen waren onthutst toen Jezus een radicaal andere manier van kijken naar zowel lijden als welzijn voorstelde. Goed geluk, comfortabel en welvarend zijn zou in feite, zei hij, een vermomde vloek kunnen zijn......... Rijkdom brengt gevaar met zich mee en dat kan je spirituele vooruitgang veel ernstiger belemmeren dan wangedrag.” (blz. 107– ‘Jesus the Teacher Within’.)

 

Een voorbeeld van deze houding is vastgelegd in het Johannes-evangelie (Joh 9,1 e.v.) in de reactie op de genezing van een blind geboren man. “ Zeker, zeiden ze … blind geboren worden is een teken dat jij of jouw ouders gezondigd hebben. God die de rechtvaardigen begunstigt straft ook de zondaars…. En wij weten dat God niet naar zondaars luistert, maar Hij luistert naar iedereen die toegewijd is en zijn wil gehoorzaamt.” (Joh 9,31)

 

Het vastomlijnde idee van oorzaak en gevolg in morele vragen – vergelijkbaar met de wet van karma in de hindoeïstische en boeddhistische filosofie – resoneert aan iets diep in de menselijke natuur. We kennen en beamen de zienswijze dat elke actie een overeenkomstige reactie heeft – zondaars moeten gestraft worden en rechtvaardig gedrag moet worden beloond. Het veroorzaakt verwarring, verbittering en zelfs verlies van vertrouwen als dit niet gebeurt.

 

Maar wat werd er met zondaars bedoeld in de tijd van Jezus? Verrassend genoeg betekende de uitdrukking iets meer dan de manier waarop we het begrip zondaars nu begrijpen. “De term omvatte niet alleen het gevoel van iemand die morele codes breekt.” (blz. 107 – ‘Jesus the Teacher Within’) Laurence Freeman verduidelijkt dat mensen met een beroep waarop neergekeken werd, bijvoorbeeld schaapherders, kleermakers, kappers, belastingontvangers en slagers, als zondaars werden beschouwd,. Er vond net zo’n strikte afbakening plaats als in het kastensysteem van India. Zij werden 'zondaars' genoemd omdat zij zo arm waren dat zij zich de door de tempel opgelegde geldelijke bijdrage voor rituele zuiverheid niet konden veroorloven. Zo werden zij permanent - naar menselijke maatstaven maar niet door Gods wil - van de religieuze gemeenschap uitgesloten. Met hen, de gemarginaliseerden, de afgewezenen en de verachten, bracht Jezus de meeste tijd door. Hij was ‘als een dokter voor de zieken’. Hij genas hen door een sterk medeleven voor hen die fysiek, emotioneel en spiritueel ziek waren. Hij overbrugde de kloof in de geest van de mensen tussen God en hen. Ze werden niet door God afgewezen, zij waren zijn kinderen net zoals ieder ander. Dit hielp hen hun geloof in hun eigen waarde en achting terug te winnen. Deze liefdevolle aanvaarding door Jezus weerspiegelde voor hen de liefde en barmhartigheid van God.

Jezus verwierp daarom de houding van de gemeenschap van zijn tijd met hun 'kaste'-verdelingen, hun door de wet bepaalde houding en hun onbetwistbare geloof in de onvermijdelijkheid van de rechtvaardigheid van de wet van oorzaak en gevolg. Zijn voornaamste boodschap is dat liefde en vergeving de essentie is van God en alle door mensen in het leven geroepen denksystemen overstijgt. Het meest aangrijpende voorbeeld hiervan is de parabel van de verloren zoon. Hij had gezondigd op alle mogelijke manieren die wij als mensen zouden afkeuren en daarom verdiende hij straf volgens onze normen. Maar door persoonlijk verantwoordelijkheid te nemen voor het resultaat van zijn egocentrische handelingen, keerde hij terug tot God en Zijn wil. Hij werd volledig vergeven en liefdevol verwelkomd.

Lesbrief 4.20 - Godsbeelden

Godsbeelden
door Kim Nataraja

Beelden van onszelf, andere mensen, de schepping in het algemeen en God zijn zeer cultureel bepaald. Laurence Freeman vat deze invloed als volgt samen: “Op de diepere niveaus, in ons onderbewustzijn, is ons Godsbeeld onlosmakelijk verbonden met alle ontmoetingen via het gezag van ouders, oudere broers en zussen, leraren, priesters, politie … De angst voor afwijzing of straf, die hiermee gepaard gaat, snijdt diep in onze psyche en laat er blijvende wonden achter. In de geest van het kind wordt deze angst het metafysische symbool van God – het opperste gezag …. het blokkeert in plaats van ons te leiden in het mysterie van ons bestaan.” (blz. 128 Jesus the Teacher Within)

 

Misschien is de overheersende voorkeur en bestendigheid van het godsbeeld als rechter geworteld in de ouderlijke invloed. In het algemeen neigen ouders – niet allemaal – ertoe hun kinderen te beoordelen en te bekritiseren in de overtuiging dat dit in het belang is van het kind. Als God dus vooral gezien wordt als een rechter, wordt Hij iemand die gesust moet worden in plaats van iemand om van te houden. Bovendien is de liefde die kinderen ontvangen vaak voorwaardelijk – een beloning voor goed gedrag. Dit zorgt er ook voor dat Jezus’ onderricht over Gods onvoorwaardelijke liefde en vergeving moeilijk in overeenstemming te brengen is met onze eigen ervaring van liefde.

 

De christelijke Schrift toont ons een ontwikkeling van beelden die aansluit bij de ontwikkeling van ons bewustzijn, weerspiegeld in onze sociale patronen. Eerst ontmoeten we de stamgod van het Oude Testament, ver weg, wraakzuchtig, grillig en onvoorspelbaar, zoals de natuur, waar kleine vaak rondtrekkende gemeenschappen zo afhankelijk van waren. Hierna volgt een onpartijdiger God, almachtig en alwetend, niet zo ver weg, een rechtvaardiger heerser, de ideale koning, die de gevestigde gemeenschap of stad toen nodig had. Later vinden we de God van Liefde van het Nieuwe Testament, die de behoefte aan vrede en dienstbaarheid in de gemeenschap weerspiegelt en de relaties in grotere gemeenschappen versterkt.

 

Een ander aspect van de godsbeelden waar we in onze huidige tijd mee worstelen is het idee van God als Hij. Laurence Freeman zegt: “de mannelijkheid van de God van de semitische godsdiensten heeft de familie- en politieke structuren van de gemeenschappen die in een Hem geloofden, gevormd … Als we er eenmaal klaar voor zijn een God te zien, waarin het mannelijke en vrouwelijke geïntegreerd zijn, worden de menselijke machtssystemen die gebaseerd zijn op mannelijke overheersing dodelijk ondermijnd.” (blz. 129 Jesus the Teacher Within) Deze voorbeelden tonen zeer duidelijk de kracht en invloed van beelden aan. Hoewel onze beelden veranderen en met ons spirituele inzicht meegroeien, blijven het altijd beelden, schaduwen van de werkelijkheid. “Ik zeg dat wie iets in God waarneemt en daardoor een naam aan hem hecht, dan is dat niet God. God staat boven namen en boven de natuur en is onuitsprekelijk". (Meister Eckhart)

 

Toch hebben mensen beelden nodig – zo is ons brein, ons waarnemingsorgaan op dit niveau van de werkelijkheid van tijd en ruimte, gemaakt. Het is moeilijk je te verhouden tot iets ‘onnoemelijk, onuitsprekelijk en onbegrensd’. Daarom moeten we oppassen dat we niet op de beelden van anderen trappen. Johannes Cassianus vertelt in zijn ‘Gesprekken’ het verhaal van een woestijnmonnik. Hem werd gezegd dat hij zijn menselijk beeld van God moest laten varen. Hij gehoorzaamde, maar even laten horen we zijn angstkreet: “Wee mij, ellendeling die ik ben! Ze hebben mijn God van me afgenomen, en ik heb niemand om me aan vast te houden, noch weet ik wie ik moet aanbidden of tot wie ik me kan wenden!”

 

We moeten altijd onthouden dat het beeld slechts ‘de vinger is die wijst naar de maan en niet de maan zelf’, zoals het boeddhistisch gezegde zo prachtig formuleert. Vrij zijn van onderdrukkende beelden is echter dichtbij: “Maar alleen diepe persoonlijke ervaring bevrijdt ons van de ingeslepen beelden van God, die spirituele groei belemmeren en de geest uit de religie halen.” (blz. 130 Jesus the Teacher Within) Vandaar het belang van contemplatief gebed, waar meditatie toe leidt.