Lesbrieven

Jaargang 3

Lesbrief 3.1 - Goddelijke Werkelijkheid

Goddelijke Werkelijkheid
door Kim Nataraja

 Bede Griffiths noemde John Main ‘de belangrijkste spirituele gids in de Kerk van vandaag’. Deze eerbetuiging verwijst niet alleen naar zijn onderricht over meditatie, maar ook naar zijn intrinsieke theologie, die deze manier van bidden ruggensteunt. Zijn theologie resoneert met die van de Christelijke woestijnvaders en –moeders uit de 4de eeuw AD en met die van de eerste Christenen in het algemeen. Ik zou zelfs willen zeggen dat hij perfect gepast zou hebben bij de monniken van die tijd, vooral bij Evagrius, de voornaamste leraar van Johannes Cassianus. In het derde jaar van deze ‘Wekelijkse Lesbrieven’ zal ik me concentreren op het onderricht en de theologie van John Main en zal ik – waar toepasselijk – parallellen trekken tussen hem en de eerste Christenen.

Voor zowel John Main als voor de vroege Christenen ontsprong elk concept over God uit hun eigen gebedservaring. Evagrius van Pontus, één van de belangrijkste Woestijnvaders van de 4de eeuw AD, vat dit als volgt samen: “Een theoloog is iemand die bidt en iemand die bidt is een theoloog.” Hoe ervoeren zij God dan? Eén van de eerste belangrijke figuren in de vroege dagen van het Christendom is Clemens van Alexandrië (150-215), die het op deze manier verwoordde: God is ”voorbij alle spraak, voorbij elk concept, voorbij elke gedachte”, en als hij zich genoodzaakt voelde die ervaring nader te duiden, kon hij deze het beste zo beschrijven: “Door het besef van zuiver zijn kun je God het dichtst benaderen.”

John Main was het volkomen eens deze uitspraken: “We weten dat we God niet kunnen analyseren. We weten dat we met ons eindige verstand niet de oneindigheid van God kunnen begrijpen.” Hij zag God ook als ‘aanwezigheid’, als ‘de grond van ons zijn’, ‘de energie die liefde is … God is, God is liefde, God is nu”. 

Hoe zagen zij de relatie tussen God en de mensheid? Dit wordt door Origines (186-255), die Clemens’ functie van Hoofd van de Catechetische School in Alexandrië overnam, duidelijk verwoord: “Elk geestelijk wezen is –  van nature – een tempel van God, dat geschapen is om in zichzelf de glorie van God te ontvangen.” Hij vervolgde en benadrukte: “Mannen en vrouwen zijn geschapen naar het ‘beeld van God’ en het is onze roeping als mens om deze ‘gelijkenis met God’ door onze manier van leven aan het licht te brengen.” John Main drukte dit als volgt uit: “Jezus heeft zijn Geest gezonden om in ons te wonen om  ieder van ons tot een heilige tempel te maken: God zelf die in ons woont.” Hij beklemtoonde verder dat “God de wortel is waaruit we ontsprongen … We zijn geschapen naar zijn beeld, delen in zijn waarde en waardigheid als kinderen van God … We weten dat we bestaan en dat we bestaan in God en dat we in Hem onze wezenlijke identiteit en unieke betekenis ontdekken … We weten dat we delen in de natuur van God.”

Voor de vroege Christenen en John Main betekende gebed een opnieuw binnentreden in het leven van God: “Onze dagelijkse meditatie is niets minder dan een terugkeer naar deze bron van leven waar onze geest volledig ondergedompeld wordt in de Geest van God, volkomen ontvankelijk voor Zijn leven, totaal liefhebbend met Zijn liefde.”

Lesbrief 3.2 - Fundamentele zondaars of in wezen goed?

Fundamentele zondaars of in wezen goed?
door Kim Nataraja

We horen deze woorden die ons iets vertellen over onze wezenlijke verbondenheid met de Goddelijke Realiteit, maar geloven we ze werkelijk? Helaas zijn we groot gebracht met het denkbeeld dat we in essentie zondig zijn en dat er een onoverbrugbare kloof bestaat tussen het Goddelijke en ons. Naast de traditionele vroegchristelijke zienswijze van fundamentele verbondenheid met het Goddelijke, ontstond deze manier van denken pas in de 4de eeuw met Athanasius, de Bisschop van Alexandrië, en kreeg naderhand met de Heilige Augustinus zijn definitieve vorm. Volgens Augustinus was de verlossing van de mensheid voorbeschikt en kon alleen door genade verkregen worden. De verlossing werd niet gezien als het herstellen van de mensheid tot hun wezenlijke God-gegeven natuurlijke goedheid. In overeenstemming met deze zienswijze was niet alleen de mensheid fundamenteel zondig, maar was ook de hele schepping in wezen gebrekkig. De vroege Christenen echter zagen de schepping als een manifestatie van de onzichtbare God – een eerste stap naar de volgende visie op God: “Wat hen betreft die ver van God afstaan … God heeft het voor hen mogelijk gemaakt om tot nadere kennis van Hem te komen en tot Zijn liefde voor hen door alle schepselen.” (Evagrius)

De zienswijze van John Main komt duidelijk overeen met de theologie van de vroege Christenen en ook, hetgeen niet verrassend is gezien zijn Keltische achtergrond, met die van het Keltisch Christendom, waar het idee van het beeld van God in de diepte van ieder van ons ligt en waar de volmaakte schepping nooit verloren is gegaan. Hij betreurde het dat door deze Augustijnse ontwikkeling in de theologie hedendaagse mannen en vrouwen “de steun van een gemeenschappelijk geloof in hun wezenlijke goedheid, redelijkheid en innerlijke integriteit verloren hebben.” Ze hebben de focus op “het potentieel van de menselijke geest” verloren en zijn in plaats daarvan geconfronteerd met “de begrenzingen van menselijk leven.”

In de theologie van John Main, waar hij stelt dat God “de wortel van ons zijn” is, wordt de nadruk op onze essentiële goedheid gelegd en niet op onze zonden. In zijn zienswijze: “Het is werkelijk belangrijk te weten dat als we zondaars zijn (en we zouden allemaal moeten weten dat we dat zijn) onze zonden van geen belang zijn. Ze kunnen niet bestaan omdat ze volledig uitgewist worden in het licht van Gods liefde.”

 Onze zonde is onze verdeeldheid: tussen ons centrum (ons diepste wezen), waar Christus huist, en ons ego aan de buitenkant. In de zienswijze van John Main, die hij deelde met de vroege Woestijnvaders en – moeders, manifesteert verlossing zich door loutering van het gewonde ego door bewustzijn. Dit wordt vergemakkelijkt door diep stil gebed, waar meditatie toe leidt. Dan “worden alle muren die ons scheiden van ons ware zelf en van anderen en van God …afgebroken.” Dit brengt met zich mee dat alle gedachten en beelden, waaruit ons ego is opgebouwd, achter gelaten worden, waardoor wij ons ego kunnen overstijgen. Zo volgen we de opdracht van Jezus op: Als iemand mij wil volgen, dan moet hij zichzelf achterlaten … Maar als iemand zichzelf verliest om mijnentwil, dan zal hij zijn ware zelf vinden.” Op het moment waarop we van het ego naar het ware zelf keren wordt het verwonde ego genezen door “de kracht van pure liefde.” Daarom is het niet verwonderlijk dat het essentiële onderricht van John Main zich concentreert op deze manier van gebed.

Lesbrief 3.3 - Diep innerlijk gebed

Diep innerlijk gebed
door Kim Nataraja

 Zowel John Main als de vroege Christenen, legden de nadruk op innig, stil gebed als de weg om binnen te gaan in ons eigen centrum, waar we contact hebben met de levende Christus, door wie wij God zullen ‘kennen’. Clemens van Alexandrië zegt: “(We)bidden … verblijvend in het uiterste ‘vertrek’ van onze ziel voeden we slechts één gedachte en ‘met zuchten die te diep zijn voor woorden’ roepen we de Vader aan, die al aanwezig is terwijl wij nog steeds spreken.” Clemens en na hem Origines waren Hoofd van de Catechetische School in Alexandrië, die het onderricht verzorgde voor alle ambitieuze Christenen. Hierdoor was hun invloed enorm. Heel hun scholing werd gebaseerd op de Schrift. Bovenstaande laat ons zien hoe de nadruk gelegd werd op ‘één gedachte’ en op innerlijkheid, hetgeen ook zeker deel uitmaakt van de boodschap uit de Schrift: “Maar als je bidt, ga dan je binnenkamer in, doe de deur dicht, bid tot je Vader, die in het verborgene is; en je Vader, die in het verborgene ziet, zal het je lonen.” (Mt 6,6)

De innerlijkheid die vereist is op het spirituele pad werd ook tot uitdrukking gebracht door Plotinus (205-270), die Plato’s onderricht opnieuw interpreteerde en een enorme invloed had, niet alleen op Clemens en Origines, maar op de hele daaropvolgende Christelijke mystieke traditie: “We moeten niet kijken naar, maar we moeten – als het ware – onze ogen sluiten en ons perspectief veranderen. We moeten dit vermogen tot perspectiefwisseling, dat iedereen bezit, maar weinigen gebruiken, wakker maken … Trek je terug in jezelf en zie.”

We vergeten vaak dat het Christendom niet in isolement ontstond, maar dat de vroege Christenen de betekenis van Christus probeerden te begrijpen vanuit hun bestaande geestelijke gesteldheid die gevormd was door de kennis en cultuur van hun tijd: “Het Christendom is een historisch fenomeen met zijn eigen wortels in de Joodse en Griekse religies en deze wortels gaan zelfs nog dieper terug tot het allereerste religieuze bewustzijn van de mensheid. Alle religies zijn misschien niet hetzelfde, zoals William Blake stelde, maar ze zijn zeker op een diep niveau met elkaar verbonden.” (Laurence Freeman) Niet alleen ons lichaam maar ook ons spiritueel bewustzijn ontwikkelt zich door de tijd heen.

Later horen we Johannes Cassianus (365-433), die het Woestijnonderricht op schrift zette, in nagenoeg dezelfde woorden als Plotinus Mt 6,6 toelichten: “We bidden in ons vertrek wanneer we onze harten volledig terugtrekken uit het geklater van alle gedachten en zorgen, en onze gebeden in het geheim blootleggen voor God, alsof we intieme omgang hebben. We bidden met de deur dicht als we, met gesloten lippen en in volledige stilte, bidden tot de Zoeker die niet onze stemmen zoekt maar onze harten.” Zoals jullie weten uit voorafgaande ‘Lesbrieven’ was Cassianus de oorspronkelijke inspiratiebron van John Main.

 De intentie om in Gods aanwezigheid te komen en de aandacht voor ons gebed leidt tot bewustzijn, een wakker bewustzijn van ons ware zelf.  Een preoccupatie met de materiële wereld heeft onze waarneming beneveld: we zijn dat, waar we ons bewust van zijn. In staat te zijn om God  te ‘kennen’, vooronderstelt een intense omgang tussen de mens en het Goddelijke. We kunnen slechts iets echt ‘kennen’, als we iets gemeen hebben. Het mooie ervan is dat deze gemeenschappelijkheid niet afhankelijk is van geloof; het kan ervaren worden. Door te mediteren worden we bewust van onze verbinding met het Goddelijke en zo met onze wezenlijke goedheid, hetgeen onze gehele perceptie van onszelf en anderen, en dus van ons hele leven, verandert. Daarom zag John Main meditatie als ‘een bevrijdingsproces; tijdens ons leven moeten we deze waarheden bevrijden’.

Lesbrief 3.4 - Onderlinge verbondenheid

Onderlinge verbondenheid
door Kim Nataraja

 John Main benadrukte dat het “doel van onze Gemeenschap is de traditie van meditatie over te dragen. We geven de kennis dat Christus in ons hart woont door. We proberen dat althans.” Hij onderstreepte het volgende steeds weer: “Jezus heeft zijn Geest gezonden om in ons te verblijven en ons allen tot heilige tempels te maken: God zelf woont binnenin ons … Zo weten we dat we delen in de Gods natuur.”

In diepe stilte worden we ons bewust van deze wezenlijke verbondenheid en ons samenvallen met het Goddelijke: “Onze wereld is niet afgescheiden van de spirituele wereld … de twee naturen zijn ondeelbaar.” (Plotinus) Dit klaarblijkelijke verband wordt ook benadrukt door Philo ( 20 vóór Christus – 40 ná Christus), een Joods filosoof/theoloog en tijdgenoot van Christus. “Wat betreft hun geestvermogens (‘nous’) zijn mannen en vrouwen verbonden met het Goddelijke vermogen (‘Logos’) .. en zijn ze een straal van die gezegende natuur.” De term ‘logos’ werd in eerste instantie door de Griekse filosofen, beginnend bij Heraclitus (5de eeuw voor Christus) toegekend aan het concept van het Goddelijke. Het werd opgevat als de éénmakende sturende kracht. Later veranderde het gebruik van het woord ‘logos’ enigszins en werd de ‘logos’ de brug tussen de Schepper en de schepping. In het Evangelie van Johannes is het Christus die de ‘logos’, het Woord, deze brug, belichaamt. Plato was één van de eersten die het idee tot uitdrukking bracht dat wij iets wezenlijks gemeen hebben met het Goddelijke. Hij noemde het de ‘nous’, zuivere intuïtieve intelligentie die verschilt van rationele intelligentie. Door onze ‘nous’, onze intuïtieve intelligentie, zijn we in staat ons te verbinden met de ‘logos’. De vroege Christenen beschouwden de ‘nous’ daarom als ons gebedsorgaan. In het onderricht van John Main, net zoals in dat van Clemens, is Christus de ware bemiddelaar. Volgens Clemens ‘nemen we deel’ aan de natuur van God in en door Christus: “Christus vergoddelijkt ons door Zijn hemelse onderricht ……. Het woord van God werd mens, zodat je van een mens zou kunnen leren hoe een man of een vrouw God kan worden.” John Main, die vaak een Trinitarische Theoloog genoemd wordt, verwoordt dit als volgt: “Het is uitdrukkelijk waar dat we nooit zouden moeten bidden tot de Vader zonder ons te richten tot Hem (Christus) … In het meditatieve gebed bereiden we ons voor op de totale ervaring van de persoonlijke aanwezigheid van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest – het totale leven van de meest Heilige Drie-eenheid dat in ons beleefd wordt.” Eerst ontmoeten we de levende Christus in ons diepe centrum en dan treden we binnen in de liefdesstroom, welke de Heilige Geest is, tussen de Vader en de Zoon: “Als de mens zijn eigen geest ontdekt, dan wordt hij naar zijn scheppend centrum geleid vanwaar zijn essentie wordt geëmaneerd en vernieuwd door de overlopende liefde van het leven van de Drie-eenheid.”

 Hoewel alles met elkaar verbonden is en er daarom geen onoverbrugbare kloof bestaat tussen ons en het Goddelijke, gaat deze werkelijkheid ons toch ook te boven, overstijgt ons. Alleen in de stilte worden we ons bewust van deze beide dimensies van Goddelijke Werkelijkheid: “Slechts door diepe en bevrijdende stilte kunnen we de polariteiten van deze mysterieuze paradox (immanentie en transcendentie) met elkaar verenigen.” De ervaring vormt de grondslag van ons geloof.

Lesbrief 3.5 - De betekenis van de Schrift

De betekenis van de Schrift
door Kim Nataraja

Heel John Main’s theologie en onderricht over meditatie is niet alleen gebaseerd op ervaring maar ook op de Schrift. Elk van zijn leringen begint en/of eindigt met een aanhaling uit de Schrift. Ook onder de vroege Christenen werd het belang van deze nadruk op de Schrift fundamenteel geacht. Over het algemeen genomen leefden zij nog steeds deels in een mondelinge cultuur; zij luisterden eerder naar de Schrift dan dat zij deze lazen en memoriseerden wat zij hoorden. Dit wordt duidelijk door een uitspraak van St. Antonius: “Jullie hebben de Schrift gehoord. Dat zou jullie het hoe moeten leren.”

St. Antonius (251-356) was het voorbeeld dat de Woestijnvaders en – moeders voor ogen hadden, hoewel hij niet de eerste kluizenaar in de woestijn was. Wel bezocht hij zelf aan het begin van zijn reis verscheidene kluizenaars. Athanasius, een vooraanstaande bisschop uit de begintijd, schreef ‘The life of Antony’ in het koptisch (357). Dit  was erg invloedrijk en bemoedigde de Koptische Christenen om naar de woestijn te trekken, met de woorden van Antonius als hun gids. Zij hielden van harte rekening met zijn advies: “Waar je ook gaat, houd God altijd voor ogen; wat je ook doet grijp altijd naar het getuigenis van de Schrift.” De Schrift was hun gids als het ging om hoe ze hun leven moesten leiden. Zij kwamen wekelijks samen voor de ‘synaxis’, waar de Schrift werd voorgelezen en waar ze de woorden herhaalden. De woorden uit de Schrift werden beschouwd als heilig en vereisten aandacht in volledige toewijding. Een jonge monnik wordt door Abba Nau, een oudere, als volgt berispt: “Waar was je met je gedachten toen we de ‘synaxis’ zeiden, dat de woorden van de psalm je ontgingen? Weet je niet dat je in de aanwezigheid van God bent en dat je tot God spreekt?” Hierna was het de gewoonte dat ze terugkeerden naar hun cel om te reflecteren op en te herhalen wat ze gehoord hadden. In de Keltische traditie – John Main’s erfenis - vinden we dezelfde nadruk op de Schrift: “Door het geschrevene in de Schrift en de component van de schepping wordt het eeuwige licht geopenbaard.” (Johannes Scotus Eriugena – 9de eeuw)

In zijn voornaamste werk ‘On First Principles’ schetst Origines systematisch een langzame, diepe en aandachtige manier om de Schrift te lezen. Hij benadrukt dat er vier niveaus zijn waarop je de Schrift kunt lezen. Hij begint door ons te wijzen op het eerste niveau van Schriftlezing: de tekst letterlijk nemen, terwijl we ons concentreren op de oppervlakkige betekenis – hetgeen op zichzelf belangrijk is. Maar hij beklemtoont dat we verder moeten zoeken naar het insluitende morele onderricht. Als we hier gehoor aan geven bemoedigt hij ons zelfs nog verder te gaan en te kijken naar de allegorische betekenis van dit tekstgedeelte. Hiermee sloot hij volledig aan bij de de Heilige Paulus: “Hij is het die ons bekwaam heeft gemaakt om dienaren te zijn van een nieuw verbond, niet van de letter maar van de Geest. Want de letter doodt, maar de Geest maakt levend. (2 Kor 3,6) Dit zou ons op zijn beurt uiteindelijk confronteren met de geest van de gegeven tekst, een ontmoeting met de verrezen Christus, hetgeen voor Origines de essentie van de Schrift is: “Zo moet je de Schrift begrijpen – als het enige volmaakte lichaam van het Woord.”

De Schrift laat ons een uitstekend fundament voor deze discipline zien. In Lucas lezen we: “Maria bewaarde dit alles in haar hart en dacht erover na.” (Lc 2,19) Maria’s houding is een prachtig voorbeeld van hoe je met het ‘oog van het hart’ leest, een intuïtieve manier van lezen. We verbinden ons op een kalme aandachtige en bedachtzame manier intens met de tekst. Deze betrokkenheid op de Schrift werd sinds Origines bekend als de discipline van ‘Lectio Divina’. Vanaf de 6de eeuw werd dit een essentieel onderdeel van de Benedictijnse manier van bidden, hetgeen John Main – als Benedictijner monnik – van harte beaamde.

Lesbrief 3.6 - Waar bidden we?

Waar bidden we?
door Kim Nataraja

Het is interessant te vermelden hoe wijdvertakt en invloedrijk de Christelijke beweging van de Woestijntraditie was. In het begin waren er slechts een paar kluizenaars, maar tegen het eind van de 4de eeuw waren er minstens 30.000 mannen en vrouwen die de woestijnen van Egypte, Palestina en Syrië bevolkten. “De woorden van de H. Antonius haalden velen over om zich toe te leggen op  een leven in eenzaamheid. En zo ontstonden er van toen af aan kloosters in de bergen en de woestijn kreeg door de monniken het aanzien van een stad.” (Het Leven van de Heilige Antonius)

Aanvankelijk was het een lekenbeweging; zelfs Antonius was geen priester. Pas later werden sommige van de oudere kluizenaars hiertoe aangewezen, maar dat waren er nooit veel. Zij leefden alleen, in tweetallen of in kleine groepen. Zij waren gewoon op zaterdag en/of zondag samen te komen voor het gemeenschappelijk gebed in een centraal gelegen gemeenschapsgebouw dat voor verschillende aangelegenheden gebruikt werd, ‘ecclesia’ genoemd. Zij baden regelmatig alleen in hun eigen cel, terwijl ze de Schriftpassage die ze gehoord hadden uit het hoofd leerden. Ze deden dit door middel van meditatie – het louter herhalen van de Schriftpassage zonder te reflecteren op de betekenis ervan. Het mediteren op de Schrift zoals wij dat wellicht doen, het taalkundig en tekstueel analyseren was geenszins deel van hun cultuur. Hun meditatie betekende niet denken over de Schrift, maar de Schrift verinnerlijken, de Schrift worden.  

In deze cultuur van mondelinge overdracht werd dit herhalen hardop gedaan. “We hoorden hem mediteren,” zei Abba Amoun over Abba Achilles. Bovendien kenden zij alle psalmen uit het hoofd en herhaalden zij deze elke 24 uur. De woestijn was een rumoerig oord: de woorden van de psalmen kwamen overal vandaan! De hele dag door combineerden zij werk en gebed, hun leven was doortrokken van een houding vol van gebed. De tekstgedeelten uit de Schrift die ze verinnerlijkt hadden tijdens hun persoonlijk gebed konden hen tijdens het werk voor de geest komen en hen de betekenis voor hen persoonlijk openbaren. Hun verlangen te doen wat de Heilige Paulus onderwees: “Bid voortdurend” was brandstof voor dit leven van gebed. Evagrius zei zelfs: “Leven is gebed.”

Bidden kan overal: “Wel, wat betreft de plaats, weet dat elke plaats geschikt is voor gebed als iemand terdege bidt … maar iedereen zou –  wanneer mogelijk – een heilige plek in zijn eigen huis moeten kiezen en apart moeten houden (cel), om in stilte te kunnen bidden zonder gestoord te worden.” (Origines) Het was vanzelfsprekend dat het gezamenlijk gebed in de centrale ontmoetingsruimte als zeer belangrijk gezien werd: “over gebed – de ruimte waar de gelovigen samenkomen, heeft waarschijnlijk iets goedgunstigs om ons te helpen, omdat de kracht van de engelen te midden van de groep gelovigen geplaatst wordt, net zoals de kracht van onze Heer en Redder zelf, en de geest van de heiligen. Laat daarom niemand het gebed in de kerken minachten, want het gebed heeft een speciale betekenis voor hen die zich er oprecht mee verbinden.” (Origines)

Ook John Main benadrukt dit in zijn onderricht. Meditatie is voor iedereen, niet alleen voor religieuzen en kan overal plaatsvinden. Er zijn groepen van gewone mannen en vrouwen over de hele wereld die samenkomen in huizen, kantoren, op het werk, in kerken, in gemeenschapshuizen, scholen, Zondagscholen, in fitnesscentra, gevangenissen en ziekenhuizen. Alles, waar het maar redelijk rustig is, is geschikt.

Lesbrief 3.7 - Wanneer bidden we?

Wanneer bidden we?
door Kim Nataraja

Het leven en het onderricht van de Woestijnvaders en –moeders, waar onze meditatietraditie uit voortkomt, was gebaseerd op zowel gemeenschappelijk als op persoonlijk gebed. Er waren drie gebedsmomenten gedurende de dag: het derde uur, het zesde uur en het negende uur (respectievelijk 9.00 ’s morgen, 12.00 ’s middags en 15.00 ’s middags) en één in de nacht: “Wat betreft de slaap ’s nachts: bid aan het begin van de avond twee uur, gerekend vanaf zonsondergang. En nadat je God geprezen hebt, slaap je zes uur. Dan sta je op voor de nachtwake en breng je de resterende vier uur in gebed door. ’s Zomers doe je hetzelfde; echter met ingekorte uren en minder psalmen, vanwege de kortere nachten.” (Abba Poimen)

Het psalmodiëren (het zingen van de psalmen), waarschijnlijk begeleid door muziek, nam de meeste tijd in beslag. Zij kenden ze allemaal uit het hoofd en reciteerden de meeste elke 24 uur. Het is niet verwonderlijk dat we de volgende zinspreuk kennen: “Toen enige ouderlingen Abba Poimen bezochten en hem vroegen: “Als we zien dat sommige broeders doezelen tijdens de samenkomst, wilt u dan dat we hen terechtwijzen zodat ze wakker blijven?” antwoordde hij hen: “Wat mij betreft, als ik een broeder zie doezelen, dan leg ik zijn hoofd in mijn schoot en laat ik hem rusten.”

Zij baden staand, doorgaans met hun gezicht naar het oosten gericht. Ze gebruikten vaak lichaamstaal, vooral na het zingen van de psalmen: “Ga staan en toon berouw (gebaar van berouw), terwijl je zegt: “Zoon van God, wees mij genadig.” (Abba Nau)

De aankomende Oblaten van onze Communiteit in het Meditation House in Kensington volgen nog steeds – met wat praktische aanpassingen –  het ritme van de dag zoals hierboven geschetst wordt. Zij komen samen voor het morgengebed en meditatie om 7.00 uur, om 12.00 voor de lezing en meditatie en om 18.00 uur voor het avondgebed en meditatie. Ze zitten op kussens in plaats van dat ze staan en ze zingen zeven psalmen per dag in plaats van allemaal en ze kunnen ’s nachts ononderbroken slapen. Hierbij besteden ze ook tijd aan persoonlijk gebed en aan de studie van de ‘Regel van Benedictus’. De woestijnkluizenaars verdienden de kost met het vervaardigen van matten, touwen en manden, het bewerken van vlas en ze werkten op de velden als dagloner. De aankomende Oblaten besteden ook een groot deel van hun dag aan taken die het werk van de Communiteit ondersteunen.

 John Main adviseert ons (die in de wereld leven) om iedere dag twee maal te mediteren: “Waarschijnlijk zijn de meest optimale tijden om te mediteren de vroege ochtend en tegen de avond … als het mogelijk is, kies dan steeds dezelfde tijd en dezelfde plaats.” Maar zijn advies is altijd praktisch en hij voegt eraan toe: “We moeten allemaal doen  wat we kunnen in onze eigen levensomstandigheden.” Veel mensen die deze routine van tweemaal daags mediteren in hun leven inpassen ontdekken dat ze eerder meer tijd en ruimte hebben dan minder. Er ontstaat een gevoel van regelmaat en volledigheid: “De ochtendmeditatie zal de toon zetten van je dag, zodat je je dagelijkse pelgrimstocht begint met te weten wie je bent .. en je avondmeditatie zal alle verschillende touwtjes van je dagelijkse activiteiten aan elkaar knopen, en ze samenbrengen.” (John Main aangehaald in ‘The Hunger for Depth en Meaning’, ed. Peter Ng)

Lesbrief 3.8 - John Main's theologie over gebed

John Main’s theologie over gebed
door Kim Nataraja

De theologie van John Main aangaande gebed is nauw gerelateerd aan zijn Christelijke theologie in het algemeen. In een voorgaande lesbrief hoorden we John Main zeggen dat “het doel van onze Gemeenschap is de traditie van meditatie door te geven. We geven de kennis dat Christus in onze harten woont door, of we proberen dat althans te doen.” Steeds weer benadrukte hij deze deelname: “Jezus heeft zijn Geest gezonden om in ons te wonen, om ons te maken tot heilige tempels: God zelf woont in ons … Zo weten we dat we delen in de natuur van God.”

Dit geloof in de inwonende Christus – hetgeen altijd gezien moet worden in het licht van de Drie-eenheid, God, Heilige Geest – en gebed als een manier om te raken aan deze Aanwezigheid stelt ons op de hoogte van heel John Main’s onderricht. Hij wijst er constant op dat het nodig is gedachten, beelden, zintuigelijke waarnemingen, die ons uiterlijk bewustzijn – ons rationeel bewustzijn –  vormen, los te laten. Als we dat doen, komen we terecht in een staat van eigen dieper bewustzijn en tegelijkertijd in het bewustzijn van Jezus, het Christusbewustzijn. We kunnen dat, omdat Jezus ons mens-zijn deelde: “De weg van gebed is eenvoudigweg het vinden van de weg naar het openen van ons menselijk bewustzijn tot Zijn menselijk bewustzijn.”

We delen dan niet alleen maar in Zijn bewustzijn, maar we verenigen ons ook met Hem in Zijn gebed tot het Goddelijke, hetgeen Hij altijd ‘Abba’ noemde, een respectvol doch liefdevol woord van tederheid voor de Vader. Als we dat doen, zo benadrukte John Main, zullen we ontdekken dat er een punt komt waar we niet langer spreken over ‘mijn gebed’, maar ons bij Christus voegen in Zijn gebed tot de Vader. We stappen de stroom van liefde binnen die stroomt tussen Jezus en Zijn Vader en dat is de Heilige Geest.

“Om die stroom van puur gebed binnen te gaan moet je jezelf overstijgen; je moet jezelf achterlaten. De mantra te leren zeggen en de discipline te leren opbrengen om elke dag te bidden is de weg die de traditie ons biedt en de manier die onze eigen ervaring ons geeft voor onze tocht met Jezus, door Jezus, naar de Vader.”

Dit is precies de essentie van meditatie: ons volledig en liefdevol met volle aandacht focussen op ons gebedswoord, terwijl we al het andere tijdelijk terzijde leggen.

John Main benadrukte altijd dat meditatie gebed is, maar ook dat het niet de enige manier is om te bidden en niet de enige manier om de stroom van liefde binnen te gaan. Alle vormen van gebed, liturgisch gebed of persoonlijk gebed, kunnen ons binnenleiden in de stilte van ons hart, waar Christus woont, waar we ons bewust worden van de Goddelijke aanwezigheid, de zuivere ervaring van God: “Meditatie is dus op geen enkele wijze exclusief. We zeggen nooit tegen iemand dat hij zijn tijd verspilt door de Rozenkrans of het Brevier te bidden. Wat we wel zeggen is: Treedt binnen in de zuivere gebedsstroom van Jezus. Laat je voortdrijven op die stroom op welke manier dan ook, of het nu het Rozenkransgebed is, de Kruiswegstaties, het Goddelijk Officie of wat dan ook.”

 (Alle aanhalingen komen uit “The hunger for depth and meaning” – samengesteld door Peter Ng)

Lesbrief 3.9 - Vertrouwen

Vertrouwen
door Kim Nataraja

Zoals we dus zagen, ontlenen we de kracht van onze meditatie aan het geloof in de inwonende Geest. Hierbij komt het besef dat het niet ons gebed is, maar dat we ons in de diepte van ons zijn aansluiten bij het gebed van Jezus in de Geest, daar waar ons bewustzijn verenigd is met Zijn bewustzijn.

John Main benadrukte steeds dat we ons christelijk geloof kunnen toetsen aan ervaring, de ervaring van diep, contemplatief gebed, waar meditatie ons toe leidt. Zodoende is het meer dan enkel geloof, het is gebaseerd op vertrouwen, een toevertrouwende en liefdevolle relatie met het Goddelijke, opgebouwd en verdiept door de verbintenis aan een regelmatige en trouwe beoefening: “Tijdens de meditatie ligt ons voortgaande pad naar dit groeiende bewustzijn van de in ons biddende Geest, eenvoudigweg in onze dieper wordende trouw aan het zeggen van de mantra. De trouwe herhaling van ons woord maakt ons hele wezen tot één geheel. Dit gebeurt omdat het ons tot stilte brengt, tot concentratie – dit noodzakelijke niveau van bewustzijn stelt ons in staat onze geest en ons hart te openen voor het werk van Gods liefde in de diepte van ons zijn.”

Vele mystici, in het bijzonder Augustinus en Meester Eckhart, noemden dit bewustzijn ‘De Geboorte van Christus in de ziel’. John Main gebruikt precies dezelfde woorden: “Meditatie is uiteindelijk een bereidvaardigheid van ons hart om Christus in ons geboren te laten worden … we moeten al het andere loslaten, zodat er ruimte in onze harten komt voor Hem.”

Onze trouwe meditatie, het zeggen van de mantra, stelt ons in staat alle gedachten en beelden van het oppervlakkige niveau van ons bewustzijn los te laten en binnen te gaan tot het diepere niveau van bewustzijn. We moeten ‘het ego loslaten’ om ervan bewust te worden dat we veel meer zijn dan we denken dat we zijn. Het ego probeert altijd om ons in het centrum van onze aandacht en dat van anderen te plaatsen, waarmee het muren bouwt die ons van anderen, de schepping en de Goddelijke werkelijkheid afscheiden. We kunnen ons er niet van bewust worden dat er meer bewustzijnsniveaus zijn in ons wezen, tenzij we regelmatig al onze geconditioneerde gedachten en beelden loslaten. We kunnen ons niet bewust worden van de liefde die in ons diepe centrum woont, als we het brandpunt van onze aandacht op onszelf gericht houden. Als we eenmaal deze liefde ervaren hebben, al is het nog zo vluchtig – dan zal onze houding naar iedereen en alles om ons heen veranderen. We geloven dat God liefde is en onze ervaring op het pad van de meditatie leert ons dat we deze Werkelijkheid in het centrum van ons wezen kunnen voelen.

 We gaan op weg – met geloof en toevertrouwen – en geleidelijk aan ontdekken  we ons werkelijke zelf in Christus. We gaan verder met hoop en in vertrouwen dat de genade van de ervaring van deze Werkelijkheid ons gegeven zal worden. Dit toevertrouwen en vertrouwen is de essentie van ons geloof.

(Alle aanhalingen komen uit ‘The hunger for depth and meaning’ – Samengesteld door Peter Ng)

Lesbrief 3.10 - Transformatie van het menselijk bewustzijn

Transformatie van het menselijk bewustzijn
door Kim Nataraja

De essentie van de meditatieweg is om Jezus’ aanwijzing te volgen en de vooringenomenheden van ons ego los te laten: “Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij, zal het behouden.” (Mt 16, 25-26) Dit betekent niet dat het ego op zich slecht is. We hebben het ‘ego’ nodig om in deze wereld te overleven. Laurence Freeman zegt in ‘Jesus the Teacher Within’: “Jezus had een ego. Het is dus niet zo dat het ego zondermeer zondig is. Maar egoïsme, het te veel gefixeerd zijn op het ego, leidt ertoe dat we ons werkelijke Zelf vergeten en verraden. Het wordt zonde als we het ego verwarren met het ware Zelf … We moeten de behoeften van het ‘ego’ in harmonie brengen met de wijsheid van het ‘zelf’. Als we in gezond contact staan met het ‘zelf’, worden we een volledig menselijk en geïntegreerd persoon, die deelt in Jezus’ bewustzijn en door Hem in het Goddelijke Bewustzijn.”

Diep, contemplatief gebed – meditatie –  is de manier om tot eenheid en in balans te komen: “In meditatie proberen we de muren te slechten die we rondom onszelf gezet hebben, die ons afsnijden van ons bewustzijn van de aanwezigheid van Jezus in ons hart … als het menselijk bewustzijn van Jezus eenmaal in ons van kracht wordt, beginnen we te zien zoals Hij ziet, lief te hebben zoals Hij liefheeft, te begrijpen zoals Hij begrijpt en te vergeven zoals Hij vergeeft.” (John Main –The Hunger for Depth and Meaning). De kracht van de mantra ‘opent de deur zodat het zuivere licht van liefde naar binnen kan stromen’.

 Praten over de verschillende niveaus van bewustzijn lijkt vaak erg esoterisch en zelfs ondoorgrondelijk. Maar meteen vanaf het begin van het Christendom horen we de Kerkvader Origines zeggen: “Behalve onze lichamelijke zintuigen, heeft de mens vijf andere zintuigen.” Deze ‘uiterlijke zintuigen’ en deze ‘innerlijke zintuigen’ zijn verschillende manieren om toegang te verkrijgen tot de verschillende werkelijkheden. In onze huidige wereld leggen we alle nadruk op de ‘uiterlijke zintuigen’ en het wetenschappelijk materialisme ontkent zelfs het bestaan van iets anders dan materie. Deze houding is een aspect van de menselijke natuur. Plotinus vraagt zich in de 3de eeuw na Christus het volgende af: “Hoe kan het dat we deze geweldige capaciteit, die we in ons dragen, niet opmerken … Hoe kan het dat sommige mensen dit helemaal nooit activeren?” Albert Einstein, de meest beroemde wetenschapper van onze tijd, sprak over ‘de intuïtieve geest’ en de ‘rationele geest’ en probeerde de balans te herstellen: “De intuïtieve geest is een heilig geschenk en de rationele geest is een trouwe dienaar. We hebben een maatschappij gecreëerd, die de dienaar vereert en het geschenk vergeten is.”

 We moeten aannemen waar William James, de Amerikaanse psycholoog,  ons aan herinnerde aan het begin van de 20ste eeuw in zijn boek “Varieties of Religious experience’: “Ons normale waakbewustzijn is slechts één speciaal type bewustzijn, terwijl er overal, afgescheiden door het dunste beeldscherm, potentiele vormen van bewustzijn liggen die geheel anders zijn.” Zo zal John Main’s onderricht over ons ‘open zijn voor het menselijk bewustzijn van Jezus’ door meditatie uiterst zinvol blijken.

Lesbrief 3.11 - Het taalprobleem

Het taalprobleem
door Kim Nataraja

Filosofie en theologie doen ons vooral inzien dat het fundamenteel onmogelijk is voor onze begrensde rationele vermogens om de Goddelijk Werkelijkheid wezenlijk te begrijpen. Elke poging hiertoe confronteert ons slechts met onze grenzen en beperkingen ten aanzien van het naamloze en vormloze. Dit is de reden waarom de vroege christenen het godslastering vonden als God een naam gegeven werd. Er zijn tenslotte geen juiste antwoorden; ideeën spreken elkaar vaak tegen en komen in de plaats van voorgaande pogingen. Alle theorieën en theologieën zijn beperkte persoonlijke pogingen tot uitleg. Alfred Whitehead zei: “Het is onmogelijk te mediteren over tijd en het mysterie van het creatieve verloop van de natuur zonder een overweldigende emotie te ervaren bij de beperkingen van de menselijke intelligentie.” Thomas van Aquino is hier een goed voorbeeld van. Na een leven van schrijven en theoretiseren over het Goddelijke, had hij een spirituele ervaring, die hem intens bewust maakte van de nutteloosheid van onze rationele pogingen. Hij was van mening dat al zijn geschrijf ‘strohalmen’ waren en schreef nooit meer.

 Het probleem waar alle mystici tegenaan lopen is dat taal ons enige gereedschap is om welke ervaring dan ook uit te drukken. Ze kan slechts verwijzen naar de waarheid, maar deze niet werkelijk duiden. En toch is taal alles wat we hebben.

 Bovendien gaat de ervaring van het Goddelijk ook samen met  het diepe verlangen deze bevrijdende waarheid met anderen te delen. Meister Eckhart is hier een voorbeeld van. Hij verwoordt in één van zijn Duitse preken, dat zelfs al zat er niemand in de Kerk hij toch zou preken omdat zijn verlangen om anderen te helpen alles duidelijker te begrijpen erg sterk is: “Als de onwetenden niet onderwezen worden zullen ze nooit leren, en geen van hen zal ooit de kunst van leven en dood kennen. De onwetenden worden onderwezen in de hoop hen te veranderen van onwetende in verlichte mensen.” Deze zelfde urgentie wordt ook door John Main verwoord: “Toch moeten we proberen te spreken, hoewel we alleen spreken om mensen tot stilte te brengen … We moeten een manier vinden om uit te leggen wat de reis inhoudt en waarom de reis zo de moeite waard is.”

 Vandaar dat zowel Thomas van Aquino, Meister Eckhart als John Main het belang van de ervaring zelf benadrukten, boven het praten of lezen erover. John Main, en ook Meister Eckhart, vond dat het loslaten van gedachten, opvattingen en beelden ten diepste essentieel was voor onze gebedspraktijk. In ‘Van Woord naar Stilte’  zegt John Main: “De bevrijding die we ondervinden tijdens het stille gebed is nu juist de bevrijding van de onvermijdelijke vervormende effecten van taal, wanneer we Gods innige en transcendente ruimte binnen in ons gaan ervaren.” Die ervaring zal op haar beurt de waarheden van ons geloof verifiëren “dat we in God zijn en dat we in Hem onze eigen wezenlijke identiteit en unieke betekenis ontdekken.” (John Main – De weg van meditatie)

Lesbrief 3.12 - Open staan voor ons potentieel

Open staan voor ons potentieel
door Kim Nataraja

In de lesbrief van vorige week sprak ik erover dat we de dingen benoemen, maar dat we ze door ze te benoemen nog niet kennen. Toch geven we instinctief namen aan de dingen, omdat dit ons het gevoel geeft zeggenschap te hebben, hoe denkbeeldig dat ook mag zijn: we denken dat we weten wat er aan hand is. Ons brein is zelfs zo gebouwd. Het werkt voornamelijk in beelden, hetgeen leidt tot concepten, gedachten en benamingen. Onze overlevingsdrang dwingt ons om alles onder controle te houden. Dit is erg bruikbaar bij het omgaan met zaken op het materiele en rationele bewustzijnsvlak, maar erg belemmerend op de spirituele weg waar we de rationele gedachtewereld achter ons laten. Daar waar we toegang hebben tot spiritueel bewustzijn – een andere manier van zijn – laten we de regie over aan een hogere macht, die we God noemen. Hiertoe hebben we het nodig dat we ons zeker kunnen voelen van Gods Liefde.

De beelden die we in onze geest over God creëren, de naam die we aan deze Goddelijk Realiteit verbinden, kunnen dit noodzakelijk vertrouwen en deze liefdevolle relatie verhinderen. Deze beelden, die in plaats van ons behulpzaam te zijn ons eerder gevangen houden in onze eigen gedachten, vormen een wezenlijke hindernis op het pad. Als we groot gebracht zijn met ‘God, de Vader’ en onze ervaring met onze eigen vader was verre van ondersteunend – we voelden ons afgewezen, bekritiseerd – dan zal dit beeld ons niet het vertrouwen geven dat we nodig hebben op het spirituele pad, omdat ons zelfbeeld er één is dat Gods aandacht niet waardig is. Zelfs het denken over God als ‘Moeder’ – pakt dit probleem niet werkelijk aan – we vervangen slechts het ene beeld door het andere. Andere mensen kunnen dezelfde afwijzing ervaren hebben door hun moeder. Als God gezien wordt als rechter dan wordt Hij eerder iemand die je liever vermijdt, dan dat je er een relatie mee aangaat. Velen van ons dragen zo’n last door schuldgevoel.

Als we groot gebracht zijn met het beeld van een oude man die op een wolk in de hemel zit en we neigen ertoe wetenschappelijk bezig te zijn, dan komt de gedachte al gauw bij ons op dat dit gewoonweg onmogelijk is – we zijn dit beeld van kinderlijk geloof ontgroeid en we verwerpen religie tegelijk met dat onvolwassen beeld. John Main toont in ‘The Present Christ’ aan dat deze beelden tot angst – onze voornaamste emotie – leiden: “Zo wordt ons gebed een manier om Hem te behagen of tevreden te stellen, en door tot Hem te  bidden hopen we dat Hij ‘zijn toorn van ons afwendt’.” Deze angst dat we niet goed genoeg zijn leidt tot een gevoel van vervreemding en zinloosheid – een algemene en overheersende gesteldheid in onze westerse samenleving. Maar Jezus liet ons op de manier hoe Hij was en in zijn onderricht zien dat God liefde is, niet als een ander beeld dat je erop na kunt houden, maar als iets dat we kunnen ervaren als een persoonlijke liefdevolle relatie. Enkel al door het volgen van Jezus’ woorden ‘laat jezelf achter’, kunnen we de Stilte van de liefdevolle aanwezigheid van het Goddelijke in het centrum van ons wezen ervaren. We kunnen dit doen door het onderricht van John Main over het loslaten van alle gedachten en beelden, waaruit we het ‘zelf’ – het ego opbouwen, te volgen. En dan weten we, zoals John Main in “The Present Christ’ zegt: “We zijn omdat God is. God is ons wezen en daarom is ons wezen goed. Het is net zoals Hij is.” Hij benadrukt dat we dit zullen ervaren ondanks het feit dat “het voor ons ongelooflijk lijkt  dat het overstijgen van alle beelden de manier tot werkelijk inzicht is. Oppervlakkig gezien lijkt het dat er zonder beelden geen inzicht is, net zoals er zonder gedachten geen bewustzijn is.”

Lesbrief 3.13 - Stilte aanvaarden

Stilte aanvaarden
door Kim Nataraja

Onzekerheid en angst zijn voor velen van ons de belangrijkste emoties, die ons onbewust beheersen. Volgens John Main weerhouden en ontmoedigen deze emoties ons om de Stilte in te gaan. Deze sterke emoties zijn ofwel te danken aan oorzaken van buitenaf, die ertoe leiden dat wij machteloos in ons eigen leven staan, ofwel aan een innerlijke staat van zijn, vooral een gebrek aan eigenwaarde, wanneer we een te sterk besef hebben van onze minpuntjes en beperkingen. De externe angsten kunnen gebaseerd zijn op een bestaande situatie waarin we ons bevinden, maar de interne zijn slechts gebaseerd op een illusie of gevoel. Ze zijn gebaseerd op een tekort aan zelfkennis, omdat we de waarheid over wie we in werkelijkheid zijn, vergeten zijn. John Main wijst ons steeds de juiste richting: door naar binnen te gaan kunnen we “de harmonie van al onze kwaliteiten en energieën in die ultieme kern van ons wezen, die de kern en bron is van al het zijn … de Liefde” ervaren.

Deze emoties zijn niet de enige factoren die ons terughouden van de innerlijke stilte, waar meditatie toe leidt. Naar binnen gaan en een andere manier van zijn ontdekken staat haaks op wat men tegenwoordig belangrijk vindt. Onze maatschappij richt zich op het materiele vlak en ontkent zelfs dat er meer is dan het rationele bewustzijnsniveau. Bewustzijn wordt beschouwd als een impulsief optredende  kwaliteit van het brein. Als het brein niet langer functioneert, dan staat ons slechts vergetelheid te wachten. Wat is dit een beperkte en deprimerende manier om naar de menselijke natuur te kijken: we zijn slechts organische, biologische computers die op prikkels uit de omgeving reageren, geprogrammeerd om onszelf te doen gelden, te handelen en iets te bereiken. Het is geen wonder dat zinloosheid en vervreemding tegenwoordig zo wijd en zijd gevoeld wordt. Het tegengif hiervoor, stilte en alleen maar zijn, wordt beschouwd als tijdverspilling, waarin we ons liever bezig zouden moeten houden met het verkrijgen van nog meer materiele zaken. Het bestaan van geest en ziel wordt ontkend; ze worden slechts gezien als een antwoord op een onrealistisch verlangen naar onsterfelijkheid. Het doet er niet toe dat dit in tegenspraak is met eeuwenoude filosofische en spirituele gedachten. Om een paar recente voorbeelden te geven: al aan het begin van de 20ste eeuw trof de psychiater C.G. Jung dit volkomen ongeloof aan: “De veronderstelling dat de menselijke psyche lagen heeft die onder het bewustzijn liggen is niet aannemelijk genoeg om serieus op in te gaan. Maar dat er net zo goed lagen zouden bestaan boven het bewustzijn lijkt een vermoeden dat grenst aan hoogverraad tegen de menselijke natuur.” De Amerikaanse psycholoog William James brengt in “Varieties of Religious Experience’ het volgende naar voren: “Ons gewone waakbewustzijn is maar één bepaalde vorm van bewustzijn, terwijl er een heel potentieel ligt aan bewustzijnsvormen, die totaal van elkaar verschillen. Deze lagen zijn slechts door een flinterdun wandje van elkaar gescheiden.” Ondanks deze en vele andere stemmen die door de eeuwen heen klonken, houdt de meerderheid van de wetenschappers zich stevig vast aan hun beperkte materialistische en mechanische gezichtspunten.

Ook in dit opzicht gaat John Main ons voor en bemoedigt ons om tegendraads te zijn en de Stilte binnen te gaan om zelf te ervaren dat we veel meer zijn dan we denken. In “Van Woord naar Stilte” legt hij uit “dat wij alleen door de acceptatie van stilte onze eigen geest kunnen leren kennen, en dat we alleen in het loslaten tot een oneindige diepte kunnen komen waarin ons de oorsprong van onze geest, waar veelheid en verdeeldheid verdwijnen, geopenbaard wordt.”

 

Lesbrief 3.14 - Heel worden

Heel worden
door Kim Nataraja

In zijn schrijven benadrukt John Main steeds weer het belang van de persoonlijke stilte-ervaring, waartoe de trouwe herhaling van de mantra ons leidt. We lazen in andere lesbrieven dat het noodzakelijk is dat wij door de laag van gedachten en beelden gaan – ‘de chaotische drukte van een geest, die geteisterd wordt door zoveel blootstelling aan trivialiteiten en verstrooiing’. We moeten zelfs de moed hebben om de eerste laag van ons persoonlijk onbewuste onder ogen te zien, daar waar het ego alle emoties, die wij in het verleden niet geacht werden te uiten, opgeslagen heeft. Deze emoties, die strijdig waren met onze overlevingsbehoefte om geaccepteerd, geliefd en gewaardeerd te worden, liggen in ‘een onbekendere bewustzijnslaag van onderdrukte angsten en spanningen’.

Hoewel we ons vaak verlegen of verward voelen wanneer tranen, gevoelens van boosheid en irritatie na een tijdje vanuit de stille meditatie tevoorschijn komen, is het genezend dat zij uit het onbewuste bevrijd worden. Het vraagt veel energie om emoties te onderdrukken en vele zitten daar al heel lang. Toch voelen we ons vaak veel beter, als we accepteren dat ze naar boven komen en erkennen dat ze in het verleden adequate reacties waren. Maar nu is nu en toen was toen. Deze inzichten zijn een geschenk, een genade, geschonken door de inwonende Christus. De meditatie-ervaring bevestigt het geloof dat we niet alleen zijn op onze innerlijke reis ‘naar de bron van ons wezen’. Het herhalen van de mantra herinnert ons aan en attendeert ons op de aanwezigheid van de innerlijke Jezus. John Main beklemtoonde  in ‘De weg van de meditatie’ dat tijdens onze meditatie ‘Jezus, de volledig gerealiseerde mens, de mens die totaal open is naar God, onze gids is’. Jezus, de Genezer, helpt ons om alle obstakels onder ogen te zien en te accepteren om vooruit te kunnen gaan op het spirituele pad en zo geneest Hij onze verwondingen, die onze ‘schaduw’ vormen. Zo noemde C.G. Jung, de Zwitserse psychiater uit de 20ste eeuw, deze gewonde aspecten van ons wezen, die veroorzaakt zijn door verdringing vanwege conditionering en de behoefte om te overleven. De‘schaduw’ is al die delen van ons wezen, zowel de negatieve als de positieve eigenschappen, die onze vroegere leefomgeving niet goedkeurde. Heel worden betekent niet ‘perfect’ worden in die zin dat alleen maar de goede eigenschappen aanwezig mogen zijn. Het betekent het accepteren van alle aspecten van ons wezen, zowel de negatieve als de positieve. Het betekent het accepteren van zowel ons ongeduld als onze vrijgevigheid. 

Dit is waarom de weg van de meditatie een transformerende weg is. We worden  van gebrokenheid naar heelheid geleid, naar volheid van leven. In ‘De weg van de meditatie’ zegt John Main: “Als we het centrum van ons wezen naderen, als we binnentreden in ons hart, ervaren we dat we begroet worden door onze gids, begroet door degene die ons leidde. We worden welkom geheten door de persoon die ieder van ons geroepen heeft tot een persoonlijke volheid van zijn.” Het vleugje van de waarheid dat we geliefd en geaccepteerd zijn door het Goddelijke met alles wat we zijn in onze gebrokenheid, mag kort zijn, maar wanner we dat eenmaal ervaren hebben, vergeten we het nooit meer; het verandert ons hele leven en brengt ons ertoe om te antwoorden op de ‘uitnodiging, onze bestemming … om ons leven in totale harmonie te brengen met deze goddelijke energie”. (De weg van niet weten). Dan wordt onze manier van zijn in de wereld gebaseerd op liefde en vergiffenis en handelen we niet langer vanuit onze gebrokenheid.

Lesbrief 3.15 - Het belang van de gemeenschap

Het belang van de gemeenschap
door Kim Nataraja

We zagen hoe Christus onze innerlijke gids is op onze meditatieweg, maar we worden ook ondersteund door de gemeenschap van mediteerders. In ons diepste zijn, in onze essentie zijn we een sprankje Goddelijke Liefde en zijn we in wezen aanvaard en bemind. Als we deze waarheid eenmaal ten aanzien van onszelf hebben beseft, kunnen we aannemen dat deze ook voor anderen geldt. We kunnen dan echt ‘onze naasten liefhebben als onszelf’ –  zoals Jezus ons leert – omdat we onszelf in onze naasten zien. Een woestijnvader geeft aan dat dit toch tijd nodig heeft, omdat het niet gemakkelijk te volbrengen is: “Ik heb er 20 jaar over gedaan om alle mensen als één te zien!” Hoe meer we ons er echter van bewust worden dat we door God aanvaard worden zoals we zijn, hoe gemakkelijker het voor ons wordt om anderen te aanvaarden zoals zij zijn. “We leren om onze naasten gewoon te laten zijn, zoals we God laten zijn. We leren onze naasten niet te manipuleren, maar liever respecteren we hem, we respecteren zijn betekenis, het wonder van zijn wezen.” Dan beginnen we ons met anderen te verbinden vanuit de diepte, vanuit onze essentie en niet vanuit ons verwonde oppervlakkige zelf, ons ‘ego’.

John Main zegt in ‘Van Woord naar Stilte’: “De kern van gemeenschap is erkenning van en diep respect voor de ander.” Ons gedrag zal dan gebaseerd zijn op een gevoel van eenheid en onderlinge verbondenheid, hetgeen resulteert in zowel empathie en respect als een verlangen naar wederzijdse dienstbaarheid. Op de geestelijke weg bieden persoonlijke relaties en gemeenschapsleven belangrijke kansen. Vooral hierin worden deze liefde en het respect voor onszelf en anderen op de proef gesteld. Wanneer we botsen worden we ons bewust van onze gewoonlijke geconditioneerde reactie op een bepaald gedrag en situatie. We moeten begrijpen dat deze reactie in het verleden ontstaan is en niet past bij het huidige moment. Onze irritatie, zelfs boosheid, afgunst en trots, laat ons zien hoe diep wij – op een ander moment en ergens anders – gekwetst zijn. Dus vrienden en geliefden maken ons bewust van onze ‘schaduw’. Voornamelijk als dit samengaat met regelmatig bidden en/of mediteren, zal het ons helpen onze wonden te transcenderen. Samen bidden betekent samen groeien en zodoende is ‘gebed de uitgelezen school voor gemeenschapsvorming’. (Van Woord naar Stilte)  Langzaamaan leidt deze groei naar ware zelfkennis en zo naar dieper bewustzijn van de Goddelijke Aanwezigheid. John Main zegt in ‘The Inner Christ’: “Alleen wanneer we het verleden totaal achter ons laten, kunnen we volkomen aanwezig raken in het nu van het goddelijk moment.” Omgekeerd  worden we zo de persoon naar Gods bedoeling.

De meditatiegroep en de hieruit voortvloeiende gemeenschap maakt dit op een zeer essentiële manier mogelijk. Bovendien, zoals Laurence Freeman zegt in ‘Een kostbare parel’, “is het niets nieuws dat Christenen samen komen om te bidden. ‘De grote groep gelovigen was één van hart en ziel (Hand 4,32): zij kwamen samen in voortdurend gebed’. Dit wordt gezegd over de klein kerkgemeenschap te Jeruzalem, die gesticht werd na de dood en verrijzenis van Jezus.” Terwijl het Christendom zich verspreidde, ontmoetten de eerste Christenen elkaar in kleine groepen bij elkaar thuis om samen te bidden, net zoals wij doen in onze meditatiegroepen. Vooral in die beginjaren, toen de Christenen een vaak vervolgde minderheid waren, waren wederzijdse vertroosting en steun van vitaal belang. Ook wij hebben deze steun van onze medereizigers nodig in een wereld die onze spirituele zoektocht niet begrijpt en zelfs minacht. Bovendien wordt gebed veel krachtiger als mensen samen bidden. Jezus zegt hierover: “Waar er twee of drie verzameld zijn in mijn naam, daar ben Ik in hun midden.” (Mt 18,20)

Lesbrief 3.16 - De gemeenschap (vervolg)

De gemeenschap (vervolg)
door Kim Nataraja

Ik vind het fascinerend hoe de wetenschap de laatste jaren door middel van minutieuze experimenten steeds meer te weten komt over wat degenen op het spirituele pad reeds uit persoonlijke ervaring weten. Vorige week sprak ik over het belang van een gemeenschap en hoe een meditatiegroep ons ondersteunt op onze weg. Dat dit op meer dan één manier waar is bewijst het volgende experiment: een groep franciscaanse nonnen werd tijdens het gebed vastgekoppeld aan een machine die hersengolven meet. In het begin had ieder haar eigen individuele hersengolfpatroon, maar na ongeveer tien minuten van gezamenlijk gebed waren de hersengolven identiek.

Dit speelt onvermijdelijk ook een rol in onze groepen. Mediteerders vertellen me vaak dat ze het, vooral in het begin, makkelijker vinden om in een groep, die wekelijks bij elkaar komt, te mediteren dan alleen thuis. Het bovenstaande experiment geeft ons het objectieve bewijs dat we elkaar werkelijk steunen en versterken. Bovendien zijn we gedurende de meditatieperiode allemaal op dezelfde golflengte afgestemd – in Christelijke termen is dat de golflengte van de Heilige Geest. We weten al dat de Geest die in ons innerlijk centrum leeft ons zowel met ons eigen wezen als met alle anderen verenigt, zoals John Main zegt in ‘The Present Christ’: “zelfs ons eigen centrum, ons objectiverende bewustzijn, wordt verenigd. Dit proces van één-wording is het werk van de Geest.”

Omdat we in onze dagelijkse realiteit vanuit het ego leven, ervaren we slechts een afgescheiden zijn en zien we de onderliggende eenheid en onderlinge verbondenheid niet. We vergeten dat we volledig aan elkaar gerelateerd zijn. Meditatie vervult in dit opzicht een belangrijke rol bij de transformatie van ons besef en bewustzijn. Door te mediteren, door samen te bidden ‘ervaren we dat de fundamentele staat van de mens, mannen en vrouwen, niet afgescheidenheid is, maar gemeenschap, samen-zijn’. En omdat God Liefde is: “is ‘samen-zijn’ in een levende gemeenschap ‘liefhebben.” (The Present Christ) Hoe anders zou onze wereld eruit zien als we ons allemaal bewust zouden zijn van onze fundamentele eenheid.

Ergens weten we hoe anderen ons kunnen beïnvloeden – ouders maken zich altijd zorgen over de invloed die vrienden op het denken en gedrag van hun kinderen hebben; we hebben het over het belang van gelijkgestemde vrienden. Eric Kandel presenteert zijn bevindingen in zijn artikel ‘Small systems of Neurons’ in de Scientific American: “Zelfs tijdens eenvoudige sociale momenten, b.v. wanneer twee mensen met elkaar praten, kan de neurologische machinerie in het brein van de ene persoon een direct en langdurig effect hebben op de veranderbare synaptische verbindingen in het brein van de ander.”

Gebaseerd op onze ervaring in de stilte, in het centrum van ons zijn, ontdekken we een vertrouwen, een liefdevolle relatie, een samen-zijn, in feite de waarlijke betekenis van geloof. Laurence Freeman zegt in zijn laatste boek ‘First Sight – The Experience of Faith’: “Gemeenschap is – net als het huwelijk – het resultaat van geloof.”

Lesbrief 3.17 - Echt luisteren

Echt luisteren
door Kim Nataraja

Omdat zowel John Main als Laurence Freeman Benedictijner monniken zijn is het begrijpelijk dat hun onderricht beïnvloed is door die manier van leven die zijn inspiratie vindt in de Regel van Benedictus. Van de drie Benedictijnse geloften, die ook gelden voor een oblaat – Obedientia (gehoorzaamheid, met aandacht luisteren en gehoor geven), Conversio Morem (dagelijkse verbetering van levenshouding en gewoonten) en Stabilitas (betrokkenheid, commitment, volharding) – wekt de gehoorzaamheid in eerste instantie soms achterdocht op. Het is kenmerkend voor onze Westerse beschaving, zeker sinds de twee wereldoorlogen, dat we wantrouwig zijn ten aanzien van autoriteit en daaraan gekoppeld ook ten aanzien van gehoorzaamheid. Autoriteit werd vereist; dit had tot resultaat dat we erg voorzichtig zijn geworden met het gehoorzamen van gezaghebbenden in zowel kerk als staat. St. Benedictus zegt echter in Hoofdstuk 17 van zijn Regel: “Gehoorzaamheid is een zegen die we niet alleen moeten laten blijken aan abdis of abt, maar ook aan elkaar, omdat we weten dat we, door op deze manier te gehoorzamen, dichter bij God komen.” 

Als we bij dit hoofdstuk uit de Regel aanlanden, lezen we er vaak snel doorheen. Maar hierdoor missen we wel iets belangrijks. Reeds in de Proloog van de Regel benadrukt St. Benedictus de gehoorzaamheid, maar dáár wordt het uit het Latijn vertaald in de oorspronkelijke betekenis, namelijk ‘luisteren’. Luister zorgvuldig naar mijn aanwijzingen, mijn kind, en geef ze aandacht met het oor van je hart … het werk van gehoorzaamheid zal je terugbrengen bij God.”

Gehoorzaamheid in de betekenis van luisteren met het oor van je hart verandert de hele impact van dit onderricht. Werkelijk luisteren niet alleen naar de abdis en abt, maar ook naar elkaar, is de basis voor gemeenschap. Zo wordt werkelijk aandacht aan elkaar schenken een kostbare gift, die we elkaar te bieden hebben. Simone Weil brengt ons het volgende in herinnering: “Zij die ongelukkig zijn behoeven niets anders in de wereld dan mensen die in staat zijn hen aandacht te schenken.” Wij zijn onze broeders en zusters hoeders.

Wanneer we werkelijk luisteren, verbinden we ons vanuit onze essentie met de essentie van een ander – we eren elkaar; we eren onze leraren door werkelijk naar de onderrichting te luisteren. Ook meditatie is een vorm van gehoorzaamheid, van werkelijk luisteren met het oor van het hart naar de innerlijke stem – de Geest; op deze manier worden we naar het mysterie van God geleid, zoals de Heilige Paulus ons laat zien, en dat betekent: “Christus in jou, de hoop op glorie die zal komen.” Dit is ook de essentiële boodschap van John Main in ‘Van Woord naar Stilte’: Het mysterie waar meditatie toe leidt is een intiem geheim, het geheim van onze eigen persoonlijkheid, die zijn voltooiing vindt in de persoon van Christus.” In wezen geeft dit onze meditatie zijn unieke christelijke kleur.

Maar hier eindigt het niet mee – we worden verder het mysterie van God in getrokken. “In Christus liggen al Gods schatten van wijsheid en kennis verborgen.” Doordat we het mysterie van God ingetrokken worden verkrijgen we heelheid van zijn. Ons centrum verschuift van het ego naar ons ware centrum, het zelf, het centrum van heel ons bewuste én onbewuste zijn.

Onze volkomenheid is daarom niet afhankelijk van blinde gehoorzaamheid aan autoriteit en zijn behoefte aan controle, is niet afhankelijk van ons kritiekloos volgen van de regels, die slechts de buitenkant raken, en van andere bepalingen; maar zij hangt in wezen af van intens luisteren naar zowel de stem van natuurlijk aanwezige autoriteit als naar de morele essentie van regels en bepalingen.

Lesbrief 3.18 - Intuïtie en rationaliteit

Intuïtie en rationaliteit
door Kim Nataraja

We verbinden ons aan een manier van bidden die een houding vooronderstelt, die anders is dan de houding, die cultureel gezien steeds gewoner wordt in de Westerse Samenleving. Door onze gebedservaring weten we dat we de Naamloze niet kunnen benoemen, dat we geen vorm kunnen geven aan de Vormloze. We weten dat we de Goddelijke Realiteit niet kunnen kennen met het verstand of het gevoel. Maar we weten ook dat het niet betekent dat de Naamloze en Vormloze niet bestaat, alleen maar omdat wij zijn Aanwezigheid eerder intuïtief aanvoelen dan met onze ‘objectieve’ zintuigen. Er zijn twee verschillende manieren waarop we de realiteit gewaar kunnen worden – door intuïtie en met ons verstand. Hoewel ze vaak gezien worden als twee totaal verschillende en tegenovergestelde manieren om de werkelijkheid te benaderen, vullen ze elkaar in wezen aan. Intuïtie en verbeelding zijn kwaliteiten die – voor zover we weten – alleen bij de mens voorkomen. En toch wordt onze hele Westerse cultuur en dientengevolge onze geconditioneerdheid gebaseerd op rationaliteit en ontkent zij het belang en de betekenis van intuïtie en verbeelding; omdat het subjectief is en omdat het ‘slechts’ onze verbeelding zou zijn, wordt het afgewezen. De heersende mening is dat je geen werkelijkheid zou moeten accepteren, die je objectief niet met je eigen ogen kunt zien en die niet in een laboratorium getest is; je wordt ertoe aangespoord om alles wat subjectief en niet rationeel te verklaren is te negeren. John Main onderschrijft ons probleem hiermee in ‘The Present Christ’: “Het kan ongelooflijk voor ons lijken dat de weg naar werkelijk inzicht de overstijging van alle beelden is. Voor ons lijkt het, oppervlakkig gezien, dat er zonder beelden geen zicht is, net zoals er zonder gedachte geen bewustzijn is.”

En toch houden de ‘rationele’ natuurkundigen en kosmologen vast aan hun theorieën die op wiskundige formules gebaseerd zijn en die ze op de hele kosmos toepassen. In werkelijkheid kunnen ze niet beweren dat dit is gebaseerd op feiten, want hun ‘objectieve’ experimenten zijn enkel gebaseerd op de materiele werkelijkheid die we kunnen zien, en dat is slechts 5% van de hele kosmos; de rest is onbekende materie en onbekende energie, waar we niets over weten. Intuïtie speelt een veel grotere rol in wetenschappelijke ontdekkingen dan de wetenschappers over het algemeen willen toegeven. Maar Einstein had groot respect voor intuïtie: “De intuïtieve geest is een heilige gave en de rationele geest is een trouwe dienaar. We hebben een gemeenschap tot stand gebracht die de dienaar eert en de gave vergeten is.” De ontkenning van het noodzakelijk samengaan van rede en intuïtie – hetgeen nog steeds het meest gangbare gezichtspunt is – doet ons herinneren aan wat St. Antonius van de Woestijn bijna tweeduizend jaar geleden zei: “Er komt een tijd dat de mensen geestelijk gestoord zullen zijn, en als ze dan iemand ontmoeten die normaal is, zullen ze zich tegen hem keren en zeggen: ‘Je bent gek’. Alleen maar omdat hij niet is zoals zij.” Deze conditie van algemene ‘gekte’ leidt tot een gevoel van zinloosheid. John Main noemt dit in ‘The Present Christ’de oorzaak van de meest kwellende angst van de mens – van afzondering, angst en eenzaamheid, dat de wereld zelf alleen maar een verschrikkelijke vergissing is”. Slechts door te luisteren met het oor van het hart, het intuïtieve begrip dat ontstaat door de ervaring in stil gebed, kunnen we ontsnappen aan wat de Heilige Paulus al 2000 jaar geleden ‘een wereld zonder hoop’ noemde. John Main vervolgt verder in ‘The Present Christ’: “Geloof maakt uiteindelijk diepte van zien mogelijk: de sprong in het onbekende, de verbinding met de Realiteit die we niet kunnen zien.”

Lesbrief 3.19 - Twee manieren van zijn

Twee manieren van zijn
door Kim Nataraja

In de vorige lesbrief lazen we dat John Main sprak over: “de meest kwellende angst van de mens – voor afzondering, angst en eenzaamheid, dat de wereld zelf alleen maar een verschrikkelijke vergissing is”. In hetzelfde tekstgedeelte zegt hij vervolgens: “een dwaas en verdraaid beeld van de werkelijkheid”, dat wordt “opgelost door de zuivere kracht van Gods liefde.” Door het gebed ervaren we dat “de fundamentele staat van de mens niet afgescheidenheid is maar gemeenschap, samen-zijn.” Hoe kan het dat gebed/meditatie dit doet. Wat gebeurt er dat wij vanuit zinloosheid de volle betekenis van de werkelijkheid gaan betreden?

Een belangrijk punt hierbij is de rol van de aandacht. John Main wist dit intuïtief en uit ervaring. Vandaar dat hij nadrukkelijk adviseerde om alleen maar ‘je woord te zeggen’. Hoeveel hij gelijk had, wordt nu door de neurowetenschap aangetoond. Onderzoek heeft uitgewezen dat door geconcentreerd aandacht te schenken aan onze mantra, we van de zijnskwaliteit van de linkerhersenhelft bewegen naar de zijnskwaliteit van de rechterhersenhelft. Het brein is in staat om de werkelijkheid op twee complementaire manieren te interpreteren.

Misschien helpt een overeenkomst met de kwantumtheorie ons om deze twee verschillende aspecten van ons ruimere bewustzijn te begrijpen. Experimenten hebben aangetoond dat een subatomair deeltje, een elektron, zowel ‘deeltjes’-achtige eigenschappen als ‘pulserende’ eigenschappen laat zien, afhankelijk van de proefondervindelijke opstelling, de omstandigheden, waarin we de werkelijkheid onderzoeken: “We moeten in gedachten houden dat hetgeen we observeren niet het wezenlijke zelf is, maar het wezenlijke dat zich toont door onze manier van vraagstelling.” (Heisenberg)

Daar wij opgebouwd zijn uit elektronen, kunnen we dit ook op onszelf toepassen. Al naar gelang de omstandigheden bevinden we ons in of, metaforisch gesproken, laten we onze ‘deeltjes’-natuur of onze ‘pulserende’-natuur zien. Tijdens onze dagelijkse manier van doen identificeren we ons met onze ‘deeltjes’-natuur; we tonen dan ons ‘materie’-aspect, wat door het ‘ego’ wordt aangestuurd – afgescheiden, voortgestuwd om te overleven. Wanneer we ons op ons woord focussen, gaan we de innerlijke eenzaamheid en stilte binnen en verbinden we ons met onze ‘pulserende’ natuur en ons werkelijke ‘zelf’, waarmee we in verbinding staan met de werkelijkheid van de hele mensheid, de schepping, de Kosmos, het Goddelijke.

Onze linker hersenhelft bevestigt ons in onze ‘deeltjes’-natuur en onze rechter hersenhelft verschaft ons toegang tot onze ‘pulserende’ natuur. We kunnen ons zowel bevinden in tijd en ruimte als in een staat van openheid. Wanneer we ons bezighouden met vragen als: “Wie zijn we op dit speciale moment? Wat is het doel van ons leven? Hoe zien we eruit?” dan beperken we ons zijn en bewustzijn tot onze ‘deeltjes’-natuur en zijn we gefocust op onze afgescheiden oppervlakkige persoonlijkheid. Echter, wanneer ons bewustzijn zich niet met speciale gedachten bezighoudt, wanneer we omgeschakeld zijn naar onze rechter hersenhelft, dan leggen we instinctief verbindingen en worden we intuïtief bewust van een onderliggende eenheid; we zijn in onze ‘pulserende’ natuur. Wanneer we raken aan dit aspect van de werkelijkheid, dan leidt dit tot waarlijk, door ervaring verkregen ‘weten’: “dat we bestaan en dat we bestaan in God en dat we in Hem onze wezenlijke identiteit en authentieke betekenis ontdekken.” (John Main)

Lesbrief 3.20 - De nauwe poort

De nauwe poort
door Kim Nataraja

 

Jezus zei: “Hoe nauw is de poort en hoe smal de weg die naar het leven leidt.” (Mt 7,14) John Main zegt hierover in zijn boek ‘Van woord naar Stilte’: “De poort is nauw, omdat hij de vrucht is van onze concentratie, onze focus op ons hele zijn. Al onze energie en potentie zijn gericht op één enkel punt.” We focussen ons op ons gebedswoord, onze mantra en laten al het andere achter ons: onze dagdromen, onze beelden, onze gedachten, inclusief onze christelijke geloofsstructuren en dogma’s. We weten echter allemaal dat dat makkelijker gezegd is dan gedaan. Het is erg prettig om zomaar wat te zitten en mee te gaan in onze gedachten en dagdromen: het kost geen enkele moeite, omdat ons brein in zijn gewone functionele modus is. Toch kan het op een bepaalde manier ontspannend zijn. Het klopt dat “de ruime poort en de gemakkelijke weg tot de ondergang leidt.” We begrijpen dat dit pad gemakkelijk is, maar waarom leidt dit tot de ondergang? Omdat we zo altijd aan de oppervlakte blijven en nooit ons volledige zijn zullen ontdekken, dat in belangrijke mate ons spirituele zijn is, onze verbinding met het Goddelijke. Ons geloof, ons vertrouwen, dat groeit door de ervaring van elke meditatiesessie, helpt ons om moeite te doen voor het schenken van volledige en liefdevolle aandacht aan ons gebedswoord. Er wordt gezegd dat dit ons naar ons centrum leidt, waar de geest van Christus woont, maar we moeten dat in vertrouwen aannemen; het is een sprong in het onbekende. Als we het wagen, zullen we binnengeleid worden “in een ervaring van bevrijding, die plaatsvindt in het centrum van ons wezen … door ons te helpen onszelf los te laten.” (Van woord naar Stilte) De bevrijding ontstaat doordat we verlost worden van al onze gedachtenstructuren, al onze angsten en verlangens, onze behoefte om in tel te zijn, onze behoefte om ons te conformeren aan wat anderen en onze gemeenschap van ons verwachten. Het is fantastisch om al die gedachten die in onze geest rondcirkelen te laten gaan; op één of andere manier bekommeren ze zich allemaal om ons zelfbehoud.

 

Ook hier gaan we tegen onze cultuur in. Het laatste wat onze cultuur wil is ‘dat we onszelf

loslaten’. Onze samenleving en haar mentaliteit sporen het ego juist aan om volledige controle te houden. De nadruk wordt gelegd op zelfbevordering en zelfpresentatie om er zeker van te zijn dat we niet alleen overleven maar dat ook beter doen dan anderen, om zo macht en aanzien te verwerven. ‘Het zelf loslaten’ tijdens het leven en meditatie is een concept dat sommige mensen zien als een excuus om niet meer mee te hoeven doen, vermoedelijk omdat we voelen dat we niet goed genoeg zijn om de wedloop te kunnen overleven. Maar John Main blijft in ‘Van Woord naar Stilte’ steeds zeggen dat onze ‘meditatie geen weglopen is, geen poging is om de verantwoordelijkheid over ons eigen zijn of de verantwoordelijkheid over ons leven en relaties te ontlopen.” We laten tijdens onze meditatie inderdaad ons bewuste zelf los, maar alleen omdat we in de stilte ons hele zijn en zijn centrum, ons werkelijke zelf, kunnen ontdekken. Dit wezenlijke spirituele deel van ons zijn kan dan ons oppervlakkige zijn doordringen en beïnvloeden in de omstandigheden waarin we ons bevinden door de gave van werkelijk inzicht en wijsheid. Dit stelt ons in staat ‘de verantwoordelijkheid over ons eigen zijn of de verantwoordelijkheid over ons leven en relaties’ met wijsheid en begrip te accepteren.

Lesbrief 3.21 - Door de illusie breken

Door de illusie breken
door Kim Nataraja

 

John Main wijst ons steeds op het gebied van het ‘ware zelf’ dat voorbij het gebied van ons ‘ego’ ligt– van illusie naar werkelijkheid – en vond dat meditatie hiertoe een essentiële weg was: “Meditatie is een manier om de wereld van illusie te doorbreken en zo tot het zuivere licht van de werkelijkheid te komen.” Hij verwees niet – zoals ik heb gedaan – naar de ‘linker- en rechterhelft van het brein’ als twee manieren van zijn. Maar dat doet geen afbreuk aan het feit dat hij zeer bewust was van deze complementaire niveaus van bewustzijn. Het ging er bij hem echter niet om deze niveaus in woorden en ideeën te vatten; hij wilde hun bestaan aantonen via de meditatie-ervaring. In ‘Van Woord naar Stilte’ zegt hij: “Door afstand te doen van het zelf (‘ego’) gaan we de stilte binnen en focussen we ons op de Ander. De waarheid die zich dan openbaart, is de harmonie van ons Zelf met de Ander. Met de woorden van een Soefi dichter: “Ik zag mijn Heer met de ogen van mijn hart en zei: “Wie bent U, God?” En Hij antwoordde: “Uzelf”.”

 

Het kan gevaarlijk zijn te spreken over hoe de ‘linker- en rechter helft van het brein’ de realiteit gewaar worden. We moeten voorzichtig zijn en deze verschillende aspecten van ons bewustzijn niet externaliseren als ‘objecten’ die verbonden zijn aan deze twee helften van onze hersenen (of erdoor veroorzaakt worden, zoals sommige reductionistische wetenschappers tegenwoordig denken). John Main wijst ons erop dat dit eerder tot fragmentatie van ons innerlijk leidt dan tot heelheid. Door nadruk te leggen op de ervaring en door ons aan te sporen het rationaliserende ‘ego’ achter te laten, helpt hij ons deze valkuil te vermijden. Hij was er zich zeer van bewust dat het enige wat wetenschap, filosofie en theologie ons leren, is dat het fundamenteel onmogelijk is dat ons beperkte rationele vermogen de ‘realiteit’ kan begrijpen ‘als oneindig’, wat zij in wezen is. Er zijn geen ultiem goede antwoorden; theorieën spreken elkaar vaak tegen en vervangen vorige beperkte persoonlijke pogingen tot interpretatie. John Main haalt in ‘Van Woord naar Stilte’ Alfred Whitehead aan: “Het is onmogelijk om over tijd en het mysterie van de scheppende kracht van de natuur te mediteren zonder een overweldigende emotie te ervaren wanneer wij beseffen dat het menselijk intellect beperkt is.” De mensheid verlangt er ongetwijfeld naar de werkelijkheid te begrijpen. Maar het is ons ‘ego’-deel dat ervan houdt over de werkelijkheid te theoretiseren; zijn gezoek naar kennis leidt bovendien tot het denkbeeldige gevoel alles onder controle te hebben. Als we praten over hoe de linker- en rechter hersenhelft toegang tot de werkelijkheid verkrijgen, moeten we bovendien niet vergeten dat we net zo weinig weten van het brein als dat we weten van de gehele kosmos. Zelfs het brein heeft zijn ‘donkere energie’. Hoewel hersenscans kunnen aantonen dat bepaalde gebieden betrokken zijn bij bepaalde activiteiten, bewijst het in feite net zo weinig als zeggen dat we onze handen gebruiken om dingen te pakken. Wat zegt dit over ons totale zijn? En als het op bewustzijn zelf aankomt, dan weten we zelfs nog minder dan niets – het is een compleet mysterie. Maar de ervaring leert ons dat er verschillende zijnswijzen zijn. Als we ons focussen op het ‘ego’ en ons bezighouden met zijn zorg om te overleven, worden we gevangen door ‘de optische begoocheling van onze afgescheidenheid’, zoals Einstein het verwoordt. Als we alle gedachten en beelden loslaten en alleen aandacht schenken aan ons gebedswoord “ontwaken we … tot een volledige eenheid van alle existentie in de Existentie zelf.” (John Main in ‘Van Woord naar Stilte’)

Lesbrief 3.22 - De historische Jezus

De historische Jezus
door Kim Nataraja

 

We weten hoe centraal de inwonende Christus staat voor John Main in zijn ervaring met de geestelijke weg. In ‘Moment of Christ’ zegt hij: “De volheid van God woont in Christus en Christus woont in ons.” Maar welk belang hechtte hij aan de historische Jezus? In zijn inleiding op Hoofdstuk Twee van John Main’s ‘Essential Teaching’ zegt Laurence Freeman: “John Main benadrukte het belang van de menselijkheid van Jezus van Nazareth, die tot zichzelf ontwaakte binnen de vergankelijke begrenzingen die we allemaal kennen … Hij kende zichzelf als de Zoon die de liefde van de Vader ontving en beantwoordde … En zo heeft zijn zelf-ontdekking meer dan alleen maar een individuele betekenis. Het is het ‘loutere en allesomvattende wakker worden’ van het menselijke bewustzijn tot zijn bron in God.” Het is erg moeilijk om dit rationeel te aanvaarden. John Main verwoordt dit in ‘Moment of Christ’ als volgt: ‘Als je op het niveau van woorden leeft is het Christendom ongeloofwaardig. We zouden dan niet geloven dat het onze bestemming is over volledige toegang tot de Vader en de Geest te beschikken … Alleen door de gebedservaring kan de waarheid van de Christelijke openbaring tot ons komen.”

 

De vroege Christenen deelden het gezichtspunt van John Main, dat het de bestemming van de mens is als God (goddelijk) te worden. Bisschop Kallistos haalt, in zijn hoofdstuk over Clemens van Alexandrië in ‘Journey to the Heart’ (1), de kerkvader Irenaeus aan, die leefde in de 2de eeuw na Christus: “Hij werd wat wij zijn, dat Hij ons zal mogen maken tot wat Hij is.” Dit impliceert dat Jezus door zijn lering en levend voorbeeld zijn volgelingen in herinnering bracht wat in aanleg aanwezig is, wat tegelijkertijd hun oorsprong is en de actuele grond van hun zijn. Hun en onze ‘ego’-vooringenomenheid t.a.v. de wereld, de materiele werkelijkheid, veroorzaakt verwarring en illusie en maakt ons blind voor deze waarheid. Jezus inspireert ons ons te bevrijden van de ballast van het ‘ego’ en leidt ons naar ons ‘ware zelf’ in het centrum van ons zijn. “Toen zei Jezus tegen zijn leerlingen: `Als iemand achter Mij aan wil komen, laat hij dan met zichzelf breken, zijn kruis opnemen en Mij volgen. Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Wie zijn leven verliest vanwege Mij, zal het vinden’.” (Mt 16,24-25) Jezus’ lering is bedoeld om ons tot de waarheid van ons wezen te doen ontwaken en dit is alleen mogelijk door de onmiddellijke ervaring waartoe gebed ons leidt. Vandaar dat John Main er de nadruk op legt dat wij onze gedachten en beelden die ons binden aan dit niveau van bestaan, tijdens de mediatie loslaten. De essentie van Jezus’ missie was niet om ons van de zonde te bevrijden maar van de onwetendheid omtrent de waarheid van ons ware zijn. Deze onwetendheid veroorzaakt zonde. Dit is de ware betekenis van verlossing. Verderop in zijn hoofdstuk zegt bisschop Kallistos: “Verlossing betekent eveneens niet alleen maar Christus imiteren door ons moreel in te zetten. Integendeel, verlossing betekent dat we delen in het leven en de kracht van God. Dit deelnemen heeft een totale innerlijke transformatie tot gevolg.” Laurence Freeman vat dit in ‘Jesus, the Teacher Within’ als volgt samen: “Uitredding (verlossing) betekent dat we met ons hele wezen weten wie we zijn en waar we vandaan komen.”

 

  • Dit boek is gebaseerd op ‘Roots of Christian Mysticism’ – geredigeerd door Kim Nataraja.
Lesbrief 3.23 - De werkelijke betekenis van Jezus

De werkelijke betekenis van Jezus
door Kim Nataraja

 

Hoewel zowel John Main als Laurence Freeman het belang van de historische Jezus onderschreven, benadrukten beiden ook dat Hij veel meer is dan dat. Als we Hem alleen maar zien vanuit historisch perspectief heeft dat tot gevolg dat wij zijn ware natuur helemaal niet begrijpen – we zien alleen maar ons eigen beeld van Hem, gekleurd door onze eigen culturele, psychologische en theologische filters. En dat niet alleen – we zijn ervan overtuigd dat ons beeld het juiste is. Dit alles veroorzaakt verdeeldheid over wie Hij is, waarom Hij gekomen is en wat Zijn betekenis is, gezien het geredetwist in zowel onze huidige tijd als in de eerste eeuwen van het Christendom. Aan elke interpretatie en aan elk verhaal over Jezus’ leven ligt een individuele mening ten grondslag, die eerder iets zegt over degene die erover spreekt of schrijft dan over de werkelijke persoon van Jezus.

 

Over het algemeen denken we niet echt veel over wie Jezus nu eigenlijk is. Laurence Freeman zegt in “Jesus, the Teacher Within’: “Voor vele Christenen is dit een vraag die ze nooit echt serieus hebben onderzocht of persoonlijk hebben genomen.” We ontdekken Zijn ware wezen en betekenis echter alleen door de stilte binnen te gaan via diep contemplatief gebed. “We zullen Jezus’ identiteit niet ontdekken door intellectueel of historisch onderzoek. Dit gebeurt wanneer diepere en subtielere lagen van intuïtief weten en kennen, waar we niet aan gewend zijn, geopend worden. Dit is gebed … een toegang tot een innerlijke ruimte van stilte, waar we in vrede zijn zonder antwoorden, oordelen en beelden nodig te hebben …. De ondefinieerbare stilte van het hart van Jezus’ mysterie deelt Zijn werkelijke identiteit mee aan hen die dit ervaren.” Verder zegt hij dat Christenen die het pad gaan van diep stil gebed – meditatie – een diepgaand effect ondervinden op hun zelfbegrip en tevens diepgaand kunnen ervaren wie Hij is.

 

Voor Laurence Freeman en de vroege Christenen was het overduidelijk dat ‘we niets kunnen kennen, laat staan God, zonder onszelf te kennen’. Dit is één van de belangrijkste aspecten van meditatie, maar we verwaarlozen dit zo vaak: “Met meditatie bedoel ik niet alleen het beoefenen van puur gebed, maar het hele levensgebied van zelfkennis dat door meditatie gestimuleerd wordt.” Op dezelfde manier waarop we onder tafel schuiven wie Jezus werkelijk is, nemen we er geen notitie van wie wij werkelijk zijn. In beide gevallen denken we dat we het weten. Dus waarom zouden we ons er druk over maken en er meer over na denken? Zij, die de hele serie ‘Wekelijkse Lesbrieven’ vanaf het eerste jaar tot nu toe gelezen hebben, weten dat wie we denken dat we zijn een onecht beeld is, het ‘ego’, onze oppervlakkige identiteit, opgebouwd uit onze eigen gedachten en beelden en die van anderen. John Main schreef: “Het ego is in wezen het beeld dat we van onszelf hebben, het beeld van onszelf dat we proberen over te brengen.” De filosoof Wittgenstein bracht het volgende ironisch naar voren: “Niets is zo moeilijk als onszelf niet voor de gek houden.” We kunnen in de stilte van het diepe contemplatieve gebed niet alleen maar ontdekken wie Jezus is, maar ook wie wijzelf werkelijk zijn.

Lesbrief 3.24 - Zoektocht naar de kostbare parel

Zoektocht naar de kostbare parel
door Kim Nataraja

In één van de laatste ‘Lesbrieven’ haalde ik Laurence Freeman aan, die sprak over John Main’s inzicht dat het belang van de historische Jezus van Nazareth was dat Hij ‘tot zichzelf ontwaakte binnen de sterfelijke begrenzingen die we allemaal kennen’. Laurence Freeman legde vervolgens de nadruk op de betekenis van dit ontwaken voor ons allemaal, als het ‘enige en allesomvattende wakker worden van het menselijk bewustzijn tot zijn bron in God’. Jezus liet zien wat bij ons in aanleg aanwezig is, maar voor ons is het moeilijk om die waarheid, waar Hij naar verwijst, te geloven. Daarom is het onderricht van John Main, Laurence Freeman en de vroege Christenen over het groeien naar zelfkennis en de bewustwording van de in ons verborgen schat, zo belangrijk. De ervaring met contemplatief gebed, meditatie, is bijzonder ondersteunend op deze ontdekkingstocht. Het onderstaande verhaal geeft onze gesteldheid en noodzakelijke zoektocht goed weer.

 

In een afgelegen en onverdeeld koninkrijk leefde eens een rechtvaardige koning met zijn vrouw en hun prachtige zoon en dochter. Zij waren gelukkig samen. Op zekere dag riep de vader zijn kinderen bij zich en zei: “Het is jullie tijd geworden, zoals het voor iedereen eens tijd wordt, om op pad te gaan, ver weg naar een ander land. Jullie moeten een kostbare parel zoeken en deze mee terug brengen.”

 

De reizigers werden vermomd naar een vreemd land gebracht, waar bijna alle inwoners in duisternis leefden. Deze plek had zo´n uitwerking op de twee dat ze het contact met elkaar verloren en versuft rondzwierven. Af en toe zagen ze geesten, beelden van hun eigen land en de Parel, maar ze waren er zo aan toe dat dit alleen maar tot gevolg had dat de diepte van hun illusie, die ze nu aanzagen voor de werkelijkheid, versterkt werd.

 

Toen het nieuws over de benarde toestand van zijn kinderen de koning bereikte, stuurde hij een trouwe dienaar, een wijs man, met de boodschap: “Denk aan jullie missie, word wakker uit jullie droom en blijf bij elkaar.” Door dit bericht kwamen ze tot zichzelf en met de hulp van hun reddende gids durfden ze de reusachtige gevaren, waardoor de Parel omgeven was, aan en door zijn magische kracht keerden ze terug naar hun koninkrijk van licht, om voor altijd en in toenemende mate gelukkig te zijn.

Ons gebrek aan kennis en acceptatie van wie we werkelijk zijn wordt in de geschriften van de vroege Christenen vaak beschreven als slaaptoestand of dronkenschap. Omdat we zo bezig zijn met ons oppervlakkige zelf, ons ego, verbergt dit niet alleen onze ware identiteit, maar ook die van de Hoogste Werkelijkheid achter onze normale begrensde materiele werkelijkheid. Dit zelfde gevoel wordt uitgedrukt in het ‘Thomasevangelie’, een belangrijk vroeg Evangelie met een verzameling mondelinge uitspraken van Jezus: Jezus zei: “Zette ik mij te midden van de wereld, verscheen ik aan hen in levende lijve, vond ik hen allen dronken, en geen van hen dorstend! Bedroefd werd mijn ziel om de mensenkinderen, want blind zijn zij in hun denken, en ze zien niet dat ze leeg in de wereld kwamen en even leeg proberen de wereld weer te verlaten. Maar nu zijn ze dronken. Pas als ze de wijn verwerpen zullen ze veranderen.” (Logion 28) *

 

* Vertaling uit: Bram Moerland – Schatgraven in Thomas

Lesbrief 3.25 - De juiste perceptie

De juiste perceptie
door Kim Nataraja

 

Laurence Freeman benadrukt in ‘Jesus, the Teacher Within’: “De essentie van het werk van een spiritueel leraar is niet ons vertellen wat we moeten doen, maar ons leren zien wie we zijn.” Het is ook de missie van onze spirituele leraar, de historische Jezus. Hij verwijst ons naar het bewustzijn, dat voorbij ons dagelijks bewustzijn ligt. Dit dagelijks bewustzijn is ingebed in het hogere bewustzijn. Vervolgens zegt Laurence Freeman: “Het is een bewustzijnsruimte die gelijk is aan en niet te scheiden is van het Bewustzijn dat identiek is aan de God van de kosmische en bijbelse openbaring: de enige ‘IK BEN’. ” In principe is deze gedachte lastig: verschillende niveaus van bewustzijn. C.G. Jung, de beroemde Zwitserse psychiater uit de 20ste eeuw, zei: “De veronderstelling dat de menselijke psyche lagen heeft die onder het bewustzijn liggen zal geen ernstige weerstand opwekken. Maar dat er ook wel eens lagen boven het bewustzijn zouden kunnen zijn, lijkt een vermoeden dat grenst aan hoogverraad jegens de menselijke natuur.” Toch nemen neurowetenschappers op basis van hun hersenonderzoek nu in de 21ste eeuw aan, dat er inderdaad verschillende manieren zijn om in te tunen op de werkelijkheid. Zowel de rechter- als de linker hersenhelft heeft een eigen manier om onze werkelijkheid waar te nemen en bovendien een manier om daaraan voorbij te gaan. Mijn dochter Shanida zegt in haar boek ‘The Blissful Brain’: “Ons brein bestaat uit ingewikkelde verbindingen die ons in staat stellen zowel een hogere staat van bewustzijn te ervaren als een allesdoordringende eenheid, die God-gelijkend kan zijn.” Ook Albert Einstein was zich zeer bewust van deze verschillende mogelijkheden tot kennis, de rationaliteit van de linkerhersenhelft en de intuïtie van de rechterhersenhelft: “Het intuïtieve bewustzijn is een sacraal geschenk en het rationele verstand is een trouwe dienaar. We hebben een samenleving gecreëerd die de dienaar huldigt en het geschenk is vergeten.” Onze voorliefde voor het rationele bewustzijn maakt ons blind voor het intuïtieve bewustzijn en veroorzaakt veel van de problemen in onze wereld. Dit wordt prachtig geschetst in het boek ‘The Master and his Emissary’ van Iain McGilchrist.

 

Onze emotionele en psychologische gesteldheid kan ervoor zorgen dat we ons als automaten gaan gedragen en alleen maar vanuit gewoonte en reflexen reageren; totaal onbewust van wat ons beweegt; daarom zouden wij als ‘niet waakzaam’, ‘dronken’, bestempeld kunnen worden. Alleen als we ons bewust zijn van onze geconditioneerde psychologische structuur, zal dit ons niet langer in de weg staan om – voorbij de gewone stoffelijke werkelijkheid – het spirituele aspect van ons zijn te ervaren. Dit is het eerste niveau van zelfkennis. Dit is het niveau van het ‘ego’, dat we eerst moeten begrijpen, accepteren en integreren, alvorens het te kunnen ontstijgen. Maar dit begrip en vervolgens het besef van wie we werkelijk zijn is niet iets dat we op eigen kracht zullen of zelfs kunnen bereiken. We hoeven alleen maar open te staan voor de roep van onze intuïtieve manier van kennen, de manier van communicatie met de inwonende Christus. Laurence Freeman gebruikt in ‘Jesus, the Teacher Within’ het voorbeeld van Maria Magdalena. In het verrijzenisverhaal bij Johannes zien we dat haar overweldigende emotionele staat van verdriet en rouw het haar onmogelijk maakt Jezus te herkennen in zijn werkelijke zijn. Maar dan wordt ze liefdevol bij haar naam geroepen door Jezus, die een beroep doet op haar ware essentie en hun werkelijke relatie. Dit helpt haar zijn ware essentie te zien en dan noemt ze hem ‘rabboeni’, leraar.

Lesbrief 3.26 - De uitdaging oppakken

De uitdaging oppakken
door Kim Nataraja

En toch is het verkrijgen van zelfkennis een zware opgave. Laurence Freeman attendeert ons in ‘Jesus, the Teacher Within’ op het volgende: “Zelfs al is de ‘rabboeni’ zo nabij – volgens Augustinus dichterbij onszelf dan we zelf zijn – dan kan toch de kracht van zelfbedrog en begoocheling overweldigend zijn. Vaak verliezen we ons houvast wanneer we worstelen met de demonen van woede, angst, trots, hebzucht en onwetendheid.” Degenen van jullie die deze ‘Lesbrieven’ regelmatig lezen, zullen zich het onderricht van Evagrius, de 4de-eeuwse Christelijke woestijnvader, herinneren. Hij en alle vroegchristelijke leraren waren zich terdege bewust van de listen van het ‘ego’. Hij zag dit als een strijd met de ‘demonen’, de negatieve neigingen die voortkomen uit ons gewonde ‘ego’. Het gewonde ‘ego’ lijkt op een verwend kind dat vastbesloten is datgene te verkrijgen, dat in zijn of haar gevoel in het verleden miskend is. Het gaat hier om die overlevingsbehoeften die essentieel zijn voor ons voortbestaan – de zekerheid geliefd te zijn, waardering, kracht, iemand die ons de weg wijst en welbevinden. Als er voor ons gevoel aan enige van deze behoeften niet tegemoet gekomen is – geheel of gedeeltelijk, dan proberen we dit gemis ons hele leven door te compenseren. Laurence Freeman zegt in het bovenstaande citaat dat uit deze intentie de ‘demonen’ geboren worden.

 

Evagrius en zijn tijdgenoten waren zich ervan bewust dat de voornaamste ‘demonen’, die ons aansturen, ‘hebzucht’ en ‘hoogmoed’ zijn. Uit deze twee ontstaan logischerwijze alle andere ‘demonen’. De normale, gewone en acceptabele behoefte om genoeg te hebben om te kunnen overleven wordt een ontzaglijke obsessie, bijv. de ‘hebzucht’ om dingen en mensen te bezitten. Vanuit deze obsessie ontstaat onvermijdelijk ‘woede’ (en ‘afgunst’) op hen die hebben wat wij missen. ‘Hoogmoed’ volgt dan al snel – we willen met ons bezit en onze prestaties pronken. Het is niet moeilijk te zien dat deze ‘demonen’ niet alleen in de 4de eeuw heftig zijn, maar ook in onze tijd.

 

Dit alles wijst erop dat we het nodig hebben advies te krijgen van geestelijke leraren: bewust te worden van je motieven, zodat je je ‘ego’ gaat begrijpen. Als we niet toelaten dat tot zelfkennis komen een deel van de spirituele weg is, kunnen we jaren mediteren en er toch niet door getransformeerd worden. Transformatie – worden zoals we bedoeld zijn – vraagt om stilte, die het mogelijk maakt ons te openen voor de roep van de inwonende Christus en die ons inzichten biedt, hoe pijnlijk die ook kunnen zijn. Zo niet, dan blijven we onszelf voor de gek houden in de jaren die komen gaan. In dit geval ligt de verleiding erin meditatie enkel maar aan te wenden voor ontspanning en het daar op te houden, terwijl we onze oren sluiten voor elke hulp die van binnenuit komt. Meditatie kan dan een manier worden om onze problemen te ontvluchten en ermee door te gaan delen van ons wezen, waar we niet graag mee geconfronteerd worden, te onderdrukken. Natuurlijk is het vluchten in een droomwereld of fantasie plezieriger dan te zien hoe de dingen werkelijk zijn. Maar verandering en transformatie zullen alleen optreden als je ervoor open staat inzichten, die liefdevol aangeboden worden te aanvaarden en een bereidheid om jezelf te erkennen en accepteren met fouten en al. Hoe waar zijn de woorden van Socrates: “Het niet onderzochte leven is het niet waard geleefd te worden.”

Lesbrief 3.27 - Meditatie en Lectio Divina

Meditatie en Lectio Divina
door Kim Nataraja

Onze traditie is gebaseerd op het onderricht van Jezus en hoe dat werd geleefd door de woestijnvaders en –moeders uit de 4de eeuw. Voor hen was de Schrift het fundament van hun leven, net zoals voor John Main en Laurence Freeman. Toen enige monniken St. Antonius vroegen hoe ze moesten leven, werd hen gezegd: “Je hebt de Schrift gehoord. Dat zou je moeten leren hoe te leven.”

 

Contemplatief gebed gaat hand in hand met het op een diepe en aandachtige manier lezen van de Schrift, dat reeds in de 2de eeuw bekend stond als lectio divina. De gesteldheid die nodig is voor meditatie – aandacht, stilte, je eigen gedachten en meningen loslaten – is dezelfde als die voor het contemplatief lezen van de Schrift. Bovendien kunnen beide leiden tot een gelijksoortige waarlijk mystieke ervaring. In de meditatie vertrouwen we erop dat we de geest van Christus zullen ontmoeten in de stilte van ons hart. Als we op deze diepgaande manier verbinding leggen met een Bijbelse tekst leidt dit tot een persoonlijk ontmoeting met de verrezen Christus, het Woord. Laurence Freeman legt er in zijn boek ‘Jesus, the Teacher Within’ de nadruk op dat het lezen van de evangeliën op deze contemplatieve manier leidt tot een waarlijk inzicht in wie Jezus was en tot de essentie van zijn onderricht, omdat “we in lectio door de taal heen breken en voorbij gedachte naar inzicht gaan.” Niet alleen leren we op een diepe manier kennen wie Hij was, maar we verkrijgen ook inzicht in onze wezenlijke natuur: “we lezen zowel de evangeliën als dat we door hen gelezen worden …. Deze relatie met het Woord laat toe dat de tekst van het evangelie een pad wordt van hoofd naar hart … het is een wakker worden van mystieke intelligentie, hetgeen, wanneer ontwaakt, het hele leven ten goede komt.” Aangenomen wordt dat deze ontmoeting met Christus in zowel de evangelietekst als in het gebed een diepgaand effect heeft op het individu, dat het ons zicht op de realiteit verandert en leidt tot transformatie, tot verbinding met ons ware ‘zelf’ en de innerlijke Christus.

 

Het op deze manier diep beschouwend lezen van de evangeliën is vanaf het moment dat de evangeliën geschreven werden onderdeel geweest van de christelijke traditie. Gebed, het lezen van de Schrift en theologie gingen hand in hand; theologie ontstond uit de contemplatieve ervaring en werd een manier om te proberen het belang ervan te begrijpen. Het bracht de mystieke ervaring en het begrijpen ervan samen, ‘het verstand in het hart brengen’. Dit ging zo door tot ongeveer de 12de eeuw, toen men rationaliteit, vanwege de herontdekking van de filosofie van Aristoteles, hoger ging waarderen dan het mystieke/spirituele denken. Dit leidde tot een scheiding tussen gebed en theologie.

 

Het is interessant dat momenteel sommige wetenschappers een brug proberen te bouwen tussen het wetenschappelijk, rationeel begrijpen van de werkelijkheid en de spirituele, intuïtieve ervaring ervan. Wat Laurence Freeman in spirituele termen beschreven heeft als ‘een wakker worden van mystieke intelligentie’, kan nu in rationele termen beschreven worden als de verschuiving die plaats maakt richting de intuïtieve manier van de rechterhersenhelft om de werkelijkheid waar te nemen.

Lesbrief 3.28 - De woestijn en de rivier

De woestijn en de rivier
door Kim Nataraja

Zoals we al eerder konden beluisteren in de woorden van vele mystieke of spirituele leraren, beweegt het spirituele pad zich van zelfkennis naar kennis van God. Laurence Freeman zegt in ‘Jesus the Teacher Within’: Elk mens weet zichzelf uniek. En zo draagt ieder zijn of haar inzicht in de non-duale, enkelvoudige natuur van God en het Zelf op authentieke wijze uit.”

 

Het volgende Soefi-verhaal beschrijft prachtig wat er tijdens dit proces gebeurt:

Het verhaal begint met een milde regen die neerdaalt op een hoge berg in een ver land. In het begin was de regen geruisloos en rustig en murmelde over granieten hellingen naar beneden. Geleidelijk aan nam hij in kracht toe en als een waterstroom rolde hij over de rotsen naar beneden over de knoestige, vergroeide bomen die daar groeiden. De regen viel, zoals water valt, zonder een vooropgezet plan: water heeft nooit tijd om het vallen te oefenen. Al gauw stortregende het en snelle stroompjes donker water vloeiden samen tot het begin van een beek. De beek vervolgde zijn weg de berg af, langs kleine bosjes cipressen en velden lavendelkleurige postelein en via watervallen naar beneden. Het stroomde moeiteloos verder, klaterend over stenen … en het leerde dat een stroom, die onderbroken wordt door rotsen, de edelste melodie zingt. Nadat hij de hoge verre berg verlaten heeft, komt hij eindelijk aan bij de rand van een grote woestijn. Zand en rotsen strekken zich eindeloos uit. De rivier heeft elk andere obstakel op zijn weg overwonnen en verwacht alleszins dat hij ook deze zal overwinnen. Maar net zo snel als zijn golven de woestijn in rollen, zo snel ook verdwijnen ze in het zand. Al eerder hoorde de rivier een stem fluisteren, die uit de woestijn zelf scheen te komen en die zei: “De wind steekt de woestijn over en dus kan de stroom dat ook.” “Ja, maar de wind kan vliegen!” riep de rivier, die zichzelf nog steeds in het woestijnzand stortte. “Zo zul je er nooit overheen komen,” fluisterde de woestijn. “Je zult je moeten laten dragen door de wind.” “Maar hoe?” schreeuwde de rivier. “Je moet je laten opnemen door de wind.” De rivier kon dit echter niet accepteren. Hij wilde zijn identiteit niet verliezen of zijn eigen individualiteit laten varen. Tenslotte, als hij zichzelf aan de wind gaf, kon hij er dan ooit zeker van zijn dat hij weer een rivier zou worden? De woestijn antwoordde dat de rivier door kon gaan met stromen en misschien zelfs voor een dag een drasland voortbrengen aan de rand van de woestijn. Maar hij zou de woestijn nooit kunnen oversteken zolang hij een rivier bleef. “Waarom zou ik niet dezelfde rivier die ik ben kunnen blijven?” riep het water. En de woestijn, wijs zoals altijd, antwoordde: “Je kunt nooit blijven wie je bent. Of je wordt drasland of je geeft jezelf aan de wind.” De rivier was lange tijd stil en luisterde, luisterde naar de verre echo’s van zijn herinnering en hij wist dat vroeger delen van hem in de armen van de wind vastgehouden waren. Langzaamaan herinnerde hij zich hoe water alleen maar overwint door overgave, door rond obstakels te stromen, door stoom te worden als het door vuur wordt verwarmd. Vanuit de diepte van die stilte, gaf de rivier langzaam zijn stoom aan de verwelkomende armen van de wind en hij werd omhoog getild. Hij werd moeiteloos op grote witte wolken over de barre wijde woestijn gedragen. Toen de verre bergen aan de andere kant van de woestijn naderden, begon de rivier opnieuw als lichte regen neer te dalen. Eerst was hij geruisloos en rustig en murmelde naar beneden over granieten hellingen. Geleidelijk aan nam hij toe in kracht. Als een waterstroom rolde hij over de rotsen naar beneden over de knoestige, vergroeide bomen die daar groeiden. De regen viel, zoals water valt, zonder een vooropgezet plan. En al gauw stortte het, als snelle stromen donker water die samen komen – opnieuw – in de bovenloop van een nieuwe rivier.

Lesbrief 3.29 - Liefde en vergeving

Liefde en vergeving
door Kim Nataraja

 

Ook wij laten ons beeld van wie we denken te zijn en ons idee over onze rol in het leven met net zoveel weerstand los als de Rivier in het verhaal ‘De Woestijn en de Rivier’’. Wat maakt ons zo afkerig? Op een bepaald niveau weten we intuïtief dat als we werkelijk loslaten, we getransformeerd zullen worden en dat onze individualiteit net zoals bij de Rivier omgevormd zal worden.

 

Wat ons tegenhoudt, is angst. We beamen dat er méér is dan we normaliter ervaren; tijdens onze meditatie ervaren we misschien soms het transcendente. Toch geloven we tegelijkertijd niet echt dat we het waard zijn deze hogere werkelijkheid binnen te gaan, toegang te krijgen tot de aanwezigheid van de Christus binnen in ons. Wat ons terughoudt, is ons geloof dat we fundamenteel slecht zijn. Desondanks legt John Main er de nadruk op dat de Goddelijke vonk in elk van ons aanwezig is – we zijn in essentie goed: “Jezus heeft zijn Geest gezonden om in ons te wonen en maakt heilige tempels van ons allemaal: God zelf woont in ons … En dan weten we dat we deel uitmaken van Gods natuur.” Als dat onze essentie is, hoe kunnen we dan fundamenteel slecht zijn? Het betreurde John Main werkelijk dat gedachten over onze eigen ontoereikendheid en zondigheid ons zo overheersen dat we ”de steun van een gewoon geloof in onze essentiële goedheid, redelijkheid en innerlijke integriteit verloren hebben” alsmede “het geloof in het vermogen van de menselijke geest. Hiervoor in de plaats zien we slechts de beperkingen van het menselijk leven.” Hij zag meditatie als de manier om dit te herstellen: “Meditatie is een proces van bevrijding: we moeten deze waarheden vrij maken in ons leven.”

 

Ons heilloze gedrag is een resultaat van ons gekwetste ego en zijn behoefte de eigen overleving altijd voorop te stellen. Onze vroege kindertijd en onze conditionering heeft ons zelfbeeld en dientengevolge ons gedrag verwrongen. Maar in plaats van onszelf af te wijzen, zouden we moeten onthouden dat Jezus’ opdracht was zich te ontfermen over de zwakken, de zieken en de zondaars. Laurence Freeman zegt in ‘Jesus, the Teacher Within’: “Voor Jezus zijn we geen misdadigers, die voor een rechter staan. De blijde boodschap houdt niet in dat de mensheid een lankmoediger rechter heeft, maar dat de aanklacht sowieso is vervallen. De zonde is uitgewist door de volkomen vrijheid van liefde, die de zonde negeert, afwijst of vergeet … De mensheid kan wakker worden uit zijn aloude nachtmerrie van zichzelf aangedane straf.” We worden niet geconfronteerd met een rechter, maar gezien door een liefdevol mededogen in de geest van vergeving.

 

In de stilte van de meditatie kunnen we ons openen voor de Liefde die in het centrum van ons wezen woont. Dan kunnen we, zoals de Rivier, ons overgeven aan de ‘gastvrije armen van de wind’. Door onze overgave staan we onszelf toe ons geliefd en geaccepteerd te voelen ondanks al onze missers en vergissingen en hierdoor zijn we in staat anderen te vergeven. Met dit inzicht kunnen we dan verantwoordelijkheid nemen voor de handelingen die voortkwamen uit de kwetsuren van ons ego. Laurence Freeman zegt in ‘Jesus, the Teacher Within’, dat het belangrijk is dat we ons realiseren dat “het onze verantwoordelijkheid is aandachtiger te zijn, zodat we minder pijn veroorzaken voor anderen en onszelf. Maar omdat zonde het resultaat is van onwetendheid en illusie verdient het niet meer straf dan het in zichzelf al is.”

 

Lesbrief 3.30 - Gods Koninkrijk

Gods Koninkrijk
door Kim Nataraja

 

De belangrijkste eigenschap van meditatie en/of contemplatief gebed is overgave. Het is een kwestie van afstand doen van gedachten, verbeelding en beelden. Als we dit doen laten we het verleden – onze herinneringen, die ons gevormd hebben – en de toekomst, die beïnvloed wordt door onze hoop, verlangen en angsten, los. Meditatie, het trouw herhalen van onze mantra, helpt ons in het nu te blijven en dit beïnvloedt ons dagelijks leven. We zien mensen en omstandigheden zoals ze zijn en niet door de matrix van onze geconditioneerde overlevingsbehoeften. Hoe vaker we mediteren, hoe meer we hiertoe in staat zijn en hoe meer het zwaartepunt van onze aandacht verschuift van onze eigen overlevingsbehoeften naar het voortbestaan van anderen en onze omgeving. We kunnen onze egocentrische wil loslaten en ons werkelijk overgeven aan ‘Uw Wil geschiede’.

 

Ook zullen we vaker een andere realiteit ontwaren, één van vrede en liefde, die ons aanmoedigt te volharden ondanks alle hinder die tiranniserende gedachten ons bezorgen. In de Schrift wordt die andere werkelijkheid door Jezus ‘Het Koninkrijk’ genoemd. ‘Het Koninkrijk’ binnen te gaan was het ultieme doel voor de woestijnvaders en –moeders, op wie wij onze manier van bidden baseren. Hun daaraan voorafgaand doel was ‘zuiverheid van hart’. Thomas Merton verwoordt dit stadium als volgt: “Wat de vaderen het meest zochten, was hun eigen ware zelf, in Christus. En hiervoor moesten ze het bedrieglijke, uiterlijke zelf, in de ‘wereld’ onder sociale druk tot stand gekomen, volledig verwerpen.” Hun motto was het advies van de Heilige Paulus: “Stem uw gedrag niet af op deze wereld. Word andere mensen, met een nieuwe gezindheid.” (Romeinen 12,2) Telkens als we onze gedachten en beelden loslaten, elke keer dat we niet achter onze egocentrische verlangens aan gaan, zijn we net als de woestijnkluizenaars op weg naar ‘Het Koninkrijk’.

 

Maar wat is ‘Het Koninkrijk’? In de Schrift probeert Jezus ons in veel parabelen de vele lagen van de werkelijke betekenis van ‘Het Koninkrijk’ te laten zien. Hij geeft ons meer dan één antwoord: het is moeilijk om een gevoelde, geleefde waarheid in enkele woorden uit te drukken. Hij zinspeelt slechts op deze werkelijkheid: we moeten het zelf ontdekken. We kunnen er niet intellectueel naar streven (een doctorsgraad in de Betekenis van ‘Het Koninkrijk’!?), maar door ervaring in de stilte van zuiver gebed ontdekken we dat al de verschillende verhalen die Hij vertelt facetten zijn van die ene diamant – de allesdoordringende energie van liefde, mededogen en vergeving. In “Jesus, the Teacher Within’ beschrijft Laurence Freeman het effect van ‘Het Koninkrijk’ op ons als volgt: “Waar het Koninkrijk onder ons is, daar is haat noch zelfzuchtige wedijver of welke vorm van verdeeldheid dan ook. Waar het Koninkrijk binnen in ons is, daar heeft onze ware natuur alle onwetendheid omtrent onszelf weggenomen en harmonie en integratie tussen het bewuste en onbewuste gegrondvest. We zijn dan vrij om in overeenstemming met onze in essentie aanwezige goedheid te handelen: naar beeld en gelijkenis van God.”

 

Lesbrief 3.31 - Integratie van de twee manieren van zijn

Integratie van de twee manieren van zijn
door Kim Nataraja

 

In de vorige lesbrief keken we naar de betekenis van het Koninkrijk. Laurence Freeman zegt in zijn boek ‘Jesus, the Teacher Within’: “Het Koninkrijk betekent vrijheid van alles wat macht uitoefent op het innerlijk en op de buitenkant: ‘de glorierijke vrijheid van de kinderen van God’. Het is Gods kracht die vrijelijk door elke menselijke dimensie stroomt, zowel sociaal als persoonlijk. Het is de verwezenlijking van het individu als uniek persoon, maar ook als deel van het geheel dat onverbrekelijk verbonden is met alle anderen. Het betekent het einde van tragedies als vervreemding en isolement, de twee krachtigste oorzaken van lijden en menselijke gruwel.” Als we dit lezen, kunnen we ons waarschijnlijk goed voorstellen, dat dit een staat is die alleen door heiligen ervaren kan worden en die voor jou en mij niet toegankelijk is. En toch verbleven we toen we heel jong waren in die staat.

 

God heeft ons alles gegeven voor ons bestaan op deze aarde, niet alleen om te overleven maar ook om ons weer te verbinden met het Goddelijke, waar we vandaan kwamen. Ons brein is hiervoor een prachtig instrument, om ons af te stemmen op de verschillende niveaus van bewustzijn, de verschillende werkelijkheden die ons omringen. Mijn dochter Dr. Shanida Nataraja legt in haar boek ‘The Blissful Brain’ uit, dat ons brein uit twee helften bestaat en ze beschrijft hun functies als volgt: De linkerhersenhelft heeft een centrum – het ego – dat de gevoelsindrukken, de emotionele en intellectuele prikkels, afkomstig van buitenaf, interpreteert en het gebruikt taal, logica en analytische vaardigheid om er betekenis aan te geven. Het voornaamste doel is om ons tegen alles te beschermen dat ons vermogen om in deze wereld als een afzonderlijk individu te overleven, verstoort. Alles wat niet past in dit overlevingspatroon zal genegeerd worden. De rechterhersenhelft heeft ook een centrum – het zelf. Dit overziet het totaal, omdat het het overkoepelend bewustzijn is dat het ego insluit. Het ziet het individu in de context van het totaal verbonden geheel, inclusief de gehele mensheid en schepping – alles omvat door het Goddelijke. Het heeft ook zintuigen, de innerlijke zintuigen intuïtie en creatieve verbeelding. Het allesomvattend perspectief van de rechterhersenhelft, inclusief de emoties, kleurt het ego met empathie, mededogen, zorg voor het voortbestaan van anderen en de schepping. Het is de bron van ons spirituele wezen en onze verbinding met het Goddelijke.

 

Dat we de aangeboren capaciteit hebben om ons opnieuw te verbinden met onze Bron wordt bewezen door neuro-wetenschappelijk onderzoek naar hersengolven. Het laat zien dat kinderen onder de twee jaar nog voornamelijk in hun rechter hersenhelft leven, hetgeen blijkt uit de dominerende aanwezigheid van alfa-golven; vandaar de empathie, de liefde, de compassie en de levendige creatieve verbeelding die een kind karakteriseren. Daarom is een heel jong kind nog onverdeeld, in contact met het geheel, nog verbonden met God, en woont het nog in het Koninkrijk. In het normale volwassen bewustzijn voert de activiteit van de linkerhersenhelft de boventoon; we ervaren dit als constant rondcirkelende gedachten, die onze geest bezighouden. De omschakeling van perspectief van de rechterhersenhelft naar de linkerhersenhelft gebeurt gewoonlijk tussen het tweede en vijfde jaar; vanaf dan legt de maatschappij en de opvoeding de nadruk op de zijnswijze van het linkerbrein en wordt het perspectief van het rechterbrein niet gestimuleerd.

 

Deze verbinding wordt echter nooit verbroken maar alleen in bepaalde mate uitgeschakeld. We hebben echter het vermogen om deze verbinding opnieuw te maken, omdat het een natuurlijk goddelijk geschenk is aan onze menselijke natuur. Het is iets waar Jezus ons in feite toe aanmoedigt: “Ik verzeker jullie, als je niet verandert en wordt als kinderen, zul je het koninkrijk der hemelen nooit binnengaan.” (Mt 18,3)

 

Shanida belicht ook de rol die meditatie speelt in dit opnieuw verbinden met ons ruimere bewustzijn: meditatie laat ons, door de gefocuste aandacht op de mantra, switchen van ons linkerbrein naar het ruimere bewustzijn van ons rechterbrein. Voor sommigen van ons is dit vermogen tot overschakelen door de tijd heen behoorlijk roestig geworden, maar voor kinderen blijft de verbinding met het ruimere bewustzijn gemakkelijk; tijdens het mediteren voelen zij zich als een vis in het water.

 

Natuurlijk moeten we in staat zijn goed voor onszelf en voor anderen te zorgen. Wij hebben beide hersenhelften nodig; ze mogen verschillend zijn, maar ze zijn volstrekt complementair. Hun samenwerking is essentieel voor ons welzijn, ons gevoel voor harmonie en in balans zijn. Het geeft ons leven zin, hetgeen vaak bedroevend afwezig is wanneer we volledig vanuit onze linkerhersenhelft leven. Hier helpt meditatie ook: het stimuleert een toenemende verbinding tussen de beide helften van het brein. Zo wordt het omschakelen van ons linkerbrein naar het ruimere bewustzijn van rechterbrein vergemakkelijkt. Slechts door het trouw en liefdevol herhalen van ons woord, maken we een eind aan ‘de tragedies van vervreemding en isolement’ en staan we onszelf toe het Koninkrijk binnen te gaan.

Lesbrief 3.32 - De wezenlijke menselijke staat

De wezenlijke menselijke staat
door Kim Nataraja

Existentie in de Aanwezigheid van God, in het Koninkrijk, is mensen aangeboren. Iedereen kan de nauwe poort van aandacht en geloof passeren – geloof in de relatie die in essentie tussen de mens en de Goddelijke Realiteit bestaat.

 

De vroege Kerkvaders hadden er geen zweem van twijfel over dat de vereniging met het Goddelijke voor iedereen mogelijk is, ongeacht wie je denkt die je bent: “God is de essentie van alle vrije wezens. Hij is de redding van ieder, van gelovigen en ongelovigen, van de rechtvaardigen of de onrechtvaardigen, van de vromen of de goddelozen, van hen die vrij zijn van hartstochten of van hen die daarin gevangen zitten, van monniken of van hen die in de wereld leven, van de geschoolden en de ongeletterden, van de gezonden en de zieken, van de jongeren en van de ouderen. Hij is als overstromend licht, als een straaltje zon, of als de weersveranderingen, die voor iedereen hetzelfde zijn.” (Gregorius van Nyssa)

 

De reden hiervoor kan in hun theologie gevonden worden. De Griekse filosofen – en met name Plato – waren de eersten, die de gedachte formuleerden dat wij wezenlijk iets gemeen hebben met het Goddelijke. Zij noemden dit de ‘nous’, pure intuïtieve intelligentie, die zich onderscheidt van rationele intelligentie. Als wij iets als het Goddelijke in ons hebben, zijn we ook in staat het Goddelijke te kennen. Het maatgevend idee in deze vroege gedachtegang was dat alleen ‘hetzelfde hetzelfde kan kennen’. Ook onze dagelijkse ervaring bevestigt dit. We weten dat er een gelijkenis moet zijn tussen individuen om zich met elkaar te kunnen verbinden; alleen als we wezenlijk iets gemeenschappelijks met een ander hebben, kunnen we echt in relatie treden, kunnen we één zijn in geest en ziel.

 

De vroege Kerkvader, Clemens van Alexandrië, zag de gelijkenis tussen het concept ‘nous’ en hetgeen in Genesis uitgedrukt wordt als ‘beeld van God’. In zijn voetstappen zagen Origines, de Cappadocische Kerkvaders, Evagrius en later zelfs Meister Eckhart dit ‘beeld van God’ als eeuwig en in oorsprong één met God. Om dit hogere niveau van realiteit binnen te gaan is contemplatief gebed noodzakelijk. Meditatie leidt hiertoe. “Het is waar dat het Goddelijk principe in elk levend wezen tegenwoordig is, maar niet elk wezen is tegenwoordig in Hem. Wij zullen bij Hem aanwezig komen als we Hem aanroepen met zeer heilige gebeden en een kalme geest.” (Dionysius de Areopagiet)

 

We weten allemaal dat de reis naar stilte niet gemakkelijk is, maar we zijn in dit avontuur niet alleen, zoals Evagrius, de 4de-eeuwse Woestijnvader, laat zien: “De Heilige Geest heeft compassie met onze zwakte, en hoewel we niet puur zijn bezoekt hij ons vaak. Als hij onze geest dan biddend tot hem aantreft uit liefde voor de waarheid, dan daalt hij af en verjaagt hij het hele leger van gedachten en redeneringen, die ons in beslag nemen.”

 

We hoeven alleen maar vol te houden en als we dat doen zal Christus, de levengevende geest, ons helpen toegang te verkrijgen tot “de grootste kracht van menselijk bewustzijn … zijn vermogen zijn mentale werking te overstijgen, voorbij zijn geweldige gedachten, en zo geest te worden.” (Laurence Freeman) Het resultaat hiervan is, volgens Evagrius, dat “als je in alle waarheid bidt, je tot een diep gevoel van vertrouwen zult komen. De engelen zullen dan met je zijn en zullen je kennis bijbrengen over de bedoeling van de hele schepping.”

 

Lesbrief 3.33 - Meditatie in de Christelijke Traditie

Meditatie in de Christelijke Traditie
door Kim Nataraja

 

Daar het een menselijk gegeven is om over te kunnen schakelen van de ene staat van zijn naar de andere, is alles wat ik hierover zei, niet alleen van toepassing op de meditatie in de Christelijke traditie, maar ook op elke vorm van stil en aandachtig gebed in andere belangrijke religieuze tradities. Laten we ons daarom even bezinnen op wat onze meditatie Christelijk maakt.

 

In zijn onderricht gaat het er Jezus om ons te helpen opnieuw bewust te worden van het Koninkrijk, de Aanwezigheid van God, en Hij raadt het stille, innerlijke gebed aan. De essentie van meditatie/contemplatief gebed – stilte, eenzaamheid en innerlijkheid – vinden we in de Bergrede: “Maar als je bidt, ga dan je binnenkamer in, doe de deur dicht, bid tot je Vader, die in het verborgene is; en je Vader, die in het verborgene ziet, zal het je lonen”. (Mt 6,6) Cassianus legt dit als volgt uit: “We bidden in onze kamer als we onze harten volledig terugtrekken uit het tumult van elke gedachte en zorg, en stilzwijgend onze gebeden vertrouwelijk voor de Heer blootleggen. We bidden met een gesloten deur, met gesloten lippen en in volkomen stilte; we bidden tot de zoeker van harten, niet van stemmen.”

 

Blaise Pascal, een Franse wetenschapper uit de 17de eeuw, schrijver, filosoof en katholiek theoloog, was van mening dat al onze ellende voortkwam uit één enkele oorzaak: ons onvermogen om alleen in stilte in een kamer te zitten en hij geloofde dat dit uiteindelijk tot onze ondergang zou leiden. Tenzij we, volgens John Main, het zoeklicht van het bewustzijn afwenden van het ego en de innerlijke stilte ingaan, kunnen we het licht van ons werkelijke zelf niet ontwaren noch bewust worden van onze verbinding met de Ultieme Werkelijkheid en ‘leven in al zijn volheid’. Als Laurence Freeman van gedachte wisselt over meditatie in ‘Jesus, the Teacher Within’ dan onderstreept hij het belang van deze verschuiving: “gebed moet veeleer geworteld zijn in waarachtigheid van het ware Zelf dan in het bewustzijn van het ego.” Dit baseert hij op de uitspraak van Jezus: Wees voorzichtig met het belijden van je religie voor het oog van de mensen. Belijd dit niet om door hen gezien te worden. Anders wacht je geen loon bij jullie Vader in de hemel.” (Mt 6,1) Vervolgens zegt hij: “Als we ons veilig voelen in of plezier beleven aan de goedkeuring van anderen, wordt er geschipperd met de authenticiteit van gebed.” Jezus verruimt deze onthechting van de noden en de wensen van het ego naar het gewone leven: “Daarom zeg Ik jullie: maak je niet bezorgd over wat je zult eten of drinken om in leven te blijven, en ook niet over de kleding voor je lichaam. Is het leven niet meer dan het eten, en het lichaam niet meer dan de kleding?” (Mt 6,25)

 

Het gebruik van een kort woord of korte zin wordt ook in deze Preek benadrukt: “Gebruik bij het bidden geen omhaal van woorden zoals de heidenen, want die menen dat ze vanwege hun talrijke woorden verhoord zullen worden. Neem daar geen voorbeeld aan, want jullie Vader weet wat je nodig hebt, voordat je het Hem vraagt.” (Mt 6,7-8) Verderop beveelt Jezus in de parabel van de Farizeeër en de tollenaar de manier van bidden van de tollenaar aan, die slechts de zin: “O God, genade voor een arme zondaar!” (Lc 18,13) steeds herhaalt.

 

Onze meditatie is derhalve Christelijk, omdat het gebaseerd is op ons vertrouwen en geloof in het onderricht van Jezus.

Lesbrief 3.34 - Het belang van geworteld zijn in een traditie

Het belang van geworteld zijn in een traditie
door Kim Nataraja

We leven in een spannende tijd, waarin de lessen van de grote wereldgodsdiensten en wijsheidstradities in boeken, via leraren of het internet voor iedereen beschikbaar zijn. Dit maakt het mogelijk dat ons bewustzijn zich kan openen voor een bredere menselijke spiritualiteit. Alle belangrijke godsdiensten hebben veel overeenkomsten; in feite hebben alle afzonderlijke tradities ten diepste een gemeenschappelijke kern. Gottfried Leibnitz, de 17de-eeuwse Duitse filosoof, en later Aldous Huxley in de 20ste eeuw verwijzen hiernaar als de ‘Eeuwige Wijsheid’. Hierdoor zullen veel aspecten in de literatuur of in de woorden van leraren uit andere tradities in ons resoneren. Dit kan twee gevolgen hebben: het kan ons verstaan van onze eigen traditie verdiepen en verrijken, maar het draagt ook het gevaar in zich dat wij spirituele vlinders worden, die nectar nemen uit veel verschillende bronnen en er niet echt toe in staat zijn de vele rijke ideeën, die ons spiritueel wezen kunnen voeden, op ons in te laten werken.

 

Zijne Heiligheid de Dalai Lama legde er tijdens één van zijn grote bijeenkomsten in Bodh Gaya, waar Laurence Freeman en sommigen van ons participeerden aan een deel van het programma de ‘Weg van Vrede’ – een interreligieuze dialoog tussen onze Gemeenschap en Zijne Heiligheid –, de nadruk op dat het belangrijk is terug te keren naar de eigen wortels, omdat alle religieuze tradities in wezen dezelfde essentiële waarheid delen. Om dit te illustreren nodigde hij Laurence Freeman uit op het podium te komen als een voorbeeld, dat deze waarheid ook in het Christendom aanwezig is. Sindsdien brengt hij ditzelfde punt in veel van zijn internationale speeches vaak naar voren. Hoewel wij misschien de geloofsstructuur van de godsdienst van onze ouders afwijzen, zijn we toch gevormd door en geworteld in de cultuur en ideeën, die eruit voortkomen. Bovendien kunnen we nog steeds de gemeenschappelijke spirituele waarheid in onze eigen godsdienst ervaren door ons te verbinden in diep contemplatief gebed. In ‘Jesus, the Teacher Within’ legt Laurence Freeman deze manier van bidden als volgt uit: “een weg van stilte en zelfoverstijging, een weg van relatie en eenzaamheid, een weg van lezen zonder woorden, weten zonder gedachten.” De overstijging van het ego is niet afhankelijk van een geloofsstructuur, maar van vertrouwen. Dit liefhebbende vertrouwende geloof stelt ons in staat ons ego-bewustzijn los te laten en ons – in ons geval – te verbinden met het bewustzijn van Christus, omdat “Meditatie, in het licht van het Christelijk geloof, een verdiepende ontmoeting is met de geest van Christus”. De eerstgenoemde beschrijving van gebed zal op alle verschillende manieren van meditatie van toepassing zijn, maar het aspect van vertrouwend geloof en verbondenheid zal voor iedereen anders zijn. Wij verbinden ons ware zelf met Christus en een Boeddhist met zijn Boeddha natuur.

 

Zoals door Laurence Freeman aangehaald in ‘First Sight’ – zijn onderzoek naar geloofservaring –, zegt John Main dat meditatie een ‘weg van vertrouwen’ is, omdat “we onszelf moeten achterlaten voordat de ander verschijnt en zonder de garantie dat de ander zal verschijnen.” (Word into Silence) We geloven dat Christus er is om ons te leiden en dat maakt het voor ons mogelijk het risico te nemen de stilte van ons ruimer bewustzijn te betreden. Zonder de relatie met Christus of een verlicht mens als de Boeddha, zouden we wel de stilte in kunnen gaan, maar kunnen afdrijven in ons eigen onbewuste met alle gevaren van dien.

Lesbrief 3.35 - Zelfkennis als eerste stap naar het Goddelijke

Zelfkennis als eerste stap naar het Goddelijke
door Kim Nataraja

Wanneer we ons wagen in de stilte kan het belang van een spirituele gids niet genoeg op waarde worden geschat. In de Christelijke traditie is Jezus zowel ons anker als onze toegang tot het geestelijk rijk. In het ruimere kosmische bewustzijn is zijn energie en bewustzijn er nog steeds voor ons zodat wij ons ermee kunnen verbinden. Dat is de ware betekenis van ‘Ik zal er altijd zijn’. De tweede komst wordt door veel mystici niet gezien als een toekomstige historische gebeurtenis, maar als een persoonlijk innerlijk gebeuren dat elk moment kan plaatsvinden. Net als Augustinus voor hem, zag Meister Eckhart dit als ‘de geboorte van Christus in de ziel’.

 

Vanwege veel negatieve religieuze conditionering is het tegenwoordig voor velen moeilijk om Jezus op deze spirituele manier te zien. Laurence Freeman zegt echter in ‘Jesus, the Teachter Within’: “Jezus afwijzen vanwege de gebreken van de kerken is een blunder van tragische omvang … anderzijds moet het Christendom ook getransformeerd worden.” En niet alleen moet het Christendom veranderen, maar wij evenzeer.

 

Door ervaring besefte Meister Eckhart dat de doorbraak van bewustzijn van de gewone werkelijkheid naar een hogere werkelijkheid plaatsvindt vóór de transformatie van ons ego-bewustzijn. Veel mediterenden in onze traditie hadden dezelfde ervaring, vaak zelfs aan het begin van de reis. “In het begin ontwaren we waarschijnlijk slechts een glimp van Zijn aanwezigheid, iets waarop we eenvoudigweg mogen hopen.” (Jezus, the Teacher Within) Toch is dit beetje genoeg om ons te doen ontwaken, zoals de vroege Christenen zouden zeggen, en alles wat we zien en doen wordt in een ander licht waargenomen. Dit is het geschenk van de Liefde, de genade van de Geest, de innerlijke Christus, die naar ons uitreikt. Wanneer we eenmaal iets van de liefde, die in ons woont, hebben ervaren en weten dat we geaccepteerd worden zoals we zijn, dan hebben we de moed om onze eigen beperkingen onder ogen te zien; we kunnen onze schaduwzijde aanvaarden en integreren in de totaliteit van ons wezen, hetgeen ons in staat stelt de schaduwzijde van anderen met mededogen te accepteren.

 

Met dit inzicht worden we ons ervan bewust hoe vervormd onze waarneming van de realiteit was door de vele vormen van conditionering en dit verandert ons geleidelijk. We worden niet langer geregeerd en gevangen gehouden door het verleden, maar kunnen in het huidige moment in de Goddelijke Realiteit blijven. Dan neemt het proces van ‘zuivering van het hart’ een aanvang, wat op het spirituele pad vaak het stadium van het vagevuur genoemd wordt. Gaandeweg maakt de liefde ons steeds meer bewust van de beperkingen van ons ego en stelt ons in staat vrij te worden door het ego te overstijgen, de ander en bovenal Christus in het middelpunt te zetten. Waar we eerder ‘door een verduisterd raam’ keken, is onze perceptie nu verhelderd en zien en ‘kennen’ we Christus zoals Hij werkelijk is en zien we ook onszelf zoals we werkelijk zijn.

 

Het enige wat we hoeven doen is aandacht schenken aan ons woord, intens luisteren naar ons woord en openstaan voor de geschonken inzichten. In de stilte beginnen we ons ‘naar de ander te keren, onszelf los te laten; en dat doen we om lief te hebben.” (Jesus, the Teacher Within)

Lesbrief 3.36 - Zelfkennis en heling

Zelfkennis en heling
door Kim Nataraja

 

Het roept vaak weerstand op als je mensen vraagt zich bewust te worden van wat hen blokkeert op het pad van ware zelfkennis. Het antwoord kan zijn: “Natuurlijk weet ik wie ik ben in dit stadium van mijn leven” of “Er zijn veel dingen in mijn verleden die ik werkelijk niet wil aankijken; daar is geen reden voor, ik heb het doorstaan, ik ben goed zoals ik ben.”

 

Natuurlijk weten we wie we zijn op een bepaald vlak. Maar dan praten we over onze buitenkant, gevangen en geconditioneerd door vroegere ervaringen. Op intellectueel niveau kunnen we zelfs aannemen dat we misschien meer zijn dan we denken dat we zijn. We kunnen accepteren dat het ego niet ons hele zelf is; we geloven in de boodschap dat het Koninkrijk ook in ons is. Maar we moeten meer doen dan dit alleen maar in vertrouwen en hoop aannemen; we moeten eraan werken dat we deze waarheid zelf gaan ervaren en dat is vaak te moeilijk.

 

John Main was zich hiervan zeer bewust. In ‘Fully Alive’ legt hij uit dat “de meesten van ons behoorlijk veel energie besteden aan het onderdrukken van gevoelens van schuld, angst en wat het verder ook mag zijn. Als je begint met mediteren, dan neemt dit onderdrukken af en dus komt de angst, waar je voor wegloopt, of de schuld die je probeert te begraven, langzamerhand naar de oppervlakte. Dan merk je dat je na je meditatie, je in plaats van dieper ontspannen te voelen, je vagelijk angstig, vagelijk zorgelijk voelt en je weet niet helemaal waarom.”

 

Hier haken velen van ons af en denken ‘meditatie is niets voor mij; ik doe iets fout; het helpt me helemaal niet’. Het is een misvatting dat meditatie slechts een vorm van ontspanning is, een manier om onze problemen te vergeten en om delen van ons wezen die ons niet bevallen en waarmee we geconfronteerd worden te onderdrukken. Dit kan tot gevolg hebben dat we jarenlang oefenen zonder enige groei in bewustzijn van ons potentieel. In plaats van tot zelfkennis en geïntegreerde heelheid te komen, blijven we verdeeld. En toch horen we Jezus in het ‘Thomasevangelie’ zeggen: “Als je jezelf kent, zul je ook gekend worden en je zult beseffen dat je een kind bent van de levende vader. Maar ken je jezelf niet, dan verkeer je in armoede. Dan ben je zelf de armoede. (Thomasevangelie 3)

 

Natuurlijk willen we niet ‘verkeren in armoede’, we willen juist dit gevoel van heelheid, integratie en harmonie ervaren. De reden waarom we denken dat we dit niet kunnen, is omdat we veronderstellen dat dit een opgave is, die we op ons eigen houtje moeten zien te klaren. Maar John Main gaat als volgt verder: “De kracht van meditatie is zo: als je op de weg volhardt, dan verbrandt hetgeen je onderdrukt of de angst die je niet het hoofd kunt bieden of de schuld die je niet kunt toelaten, als het ware in het vuur van Goddelijke Liefde. Heel vaak zul je niet bewust weten wat het was, maar het is weg en het is weg voor altijd.”

 

Daarom hoef je je niet in te spannen, het is geen ‘prestatie’ – ‘prestatie’, ‘doel’ zijn woorden van het ‘ego’ en daarom niet relevant op dit pad. We hoeven ons alleen maar de Goddelijke vonk te herinneren, die essentieel is voor onze menselijke natuur. De hoop en het vertrouwen, die voortkomen uit dit aangeboren potentieel maakt onze beoefening van de meditatie zinvol en tilt het uit boven de sfeer van enkel ontspanning.

Lesbrief 3.37 - Het probleem met stilte

Het probleem met stilte
door Kim Nataraja

 

In onze westerse cultuur wordt de behoefte aan stilte en rust niet erkend. John Main zegt in ‘Word into Silence’, dat velen zich niet op hun gemak voelen met stilte, er zelfs bang voor zijn: “(Stilte) is een behoorlijke uitdaging voor mensen in onze tijd, omdat velen van ons erg weinig ervaring met stilte hebben, en stilte kan voor mensen in onze huidige cultuur verschrikkelijk bedreigend zijn.” Als je iemand vertelt dat je verlangt naar een periode van totale stilte en eenzaamheid dan zie je hun verwondering en ongeloof. Ze kunnen het zelfs zien als een bewijs dat je op zijn minst lichtelijk abnormaal bent, of misschien als teken van latente depressie. Ze zouden je zelfs kunnen beschuldigen van zelfzuchtigheid, grenzend aan maatschappelijke onaangepastheid. De enigen die je wel begrijpen zijn zij die mediteren.

 

Verlangen naar eenzaamheid en stilte gaat tegen onze cultuur in. In onze maatschappij worden een slimme houding, prestatie, opwinding, gezelligheid, verandering en activiteit hogelijk gewaardeerd. Het resultaat hiervan is dat we vaak overprikkeld zijn en zo gewend aan verwoede activiteit dat we ten diepste gekenmerkt worden door rusteloosheid. We moeten niet vergeten dat rusteloosheid voor ons sowieso een natuurlijke conditie lijkt te zijn; het zit in onze genen: onze voorouders behoorden allemaal tot rondtrekkende stammen. Hoewel rusteloosheid een echt menselijk probleem is, is het duidelijker aanwezig in het Westen. We zijn altijd op weg, altijd wel ergens mee bezig en vaker wel dan niet met veel dingen tegelijk bezig. Vooral degenen onder ons die in de grote steden wonen, schijnen tot een soort te behoren dat steeds in beweging is: op weg naar het werk, naar vermaak, naar vrienden. Onze rusteloosheid uit zich ook als een behoefte aan afwisseling en verandering zelfs ten aanzien van onze banen, restaurants en cafés die we bezoeken en het betreft zelfs onze vrienden.

 

Maar we verliezen iets kostbaars als wij de waarde van de stilte negeren. De vroege Christenen zagen alle activiteit die onze levenswijze in de wereld betekenis geeft als een teken van slaap, zelfs van dronkenschap. Wakker zijn, helemaal levend zijn, was en is paradoxaal genoeg alleen door stilte en rust te verwezenlijken. De weg is meditatie, diep stil gebed.

 

Door ons lichaam toe te staan stil te zijn, het permissie te geven niets te doen, zetten wij in de meditatie de eerste stap om deze rusteloze neiging te neutraliseren. Slechts door te volharden, vermindert de drang om te bewegen en dingen te doen en worden we ons bewust van rust en stilte. Door ons woord trouw en liefdevol te herhalen gaan we de stilte binnen. We scheppen de stilte niet. “De stilte ís aanwezig in ons. We hoeven alleen maar naar binnen te gaan, stil te worden, stilte te worden. Het doel en de uitdaging van meditatie is om onszelf te veroorloven stil genoeg te worden om deze innerlijke stilte tevoorschijn te laten komen. Stilte is de taal van de Geest.” (Word into Silence)

 

Meditatie is het ontdekken van je ware natuur: je bent deel van het allesomvattende, onderling verbonden levensweb; het Goddelijke is in ons en onder ons, wanneer we maar stil genoeg worden om de klank van de Klankloze, de naam van de Naamloze, te horen.

Lesbrief 3.38 - De traditie en beoefening van Christelijke Meditatie (1)

De traditie en beoefening van Christelijke Meditatie (1)
door Kim Nataraja

 

 

Het is niet alleen belangrijk voor volwassenen om zich opnieuw met de innerlijke stilte te verbinden, maar in onze lawaaiige wereld misschien meer nog zelfs voor kinderen en jongeren. Laatst was er in Dublin, Ierland, een meditatie-seminar over het onderricht van meditatie aan kinderen. De meeste toehoorders waren leraren en schoolhoofden. Ook de bisschoppelijke onderwijsraad was goed vertegenwoordigd. De presentaties werden erg enthousiast ontvangen – al twintig scholen vroegen deel te mogen nemen aan het pilot project om meditatie op hun school te kunnen introduceren.

 

Graag wil ik de inleidende voordracht van Laurence Freeman OSB over de traditie van onze meditatiepraktijk met jullie delen.

 

“Elke keer als we mediteren stappen we in een grote traditie. Dit gevoel voor traditie is wezenlijk bepalend voor Christelijke meditatie – eenvoudigweg omdat meditatie zelf één van de oudste en meest universele elementen van menselijke wijsheid is. De betekenis en het doel van meditatie wordt door de grote religies op een verschillende wijze omschreven, maar wordt in elke traditie aangetroffen. Het is de contemplatieve kern van religie zelf. Vanuit religieus oogpunt heeft het menselijk bewustzijn zich ontwikkeld en blijft het zich uitbreiden naar de ervaring van het transcendente, het eeuwig verre en eeuwig nabije mysterie van onze zijnsbron en vervulling, God.

 

Kardinaal Newman zei dat ‘het beste bewijs voor God in ons ligt’. Tegenwoordig wordt het bestaan van God als God betwist. Als op filosofisch en theologisch niveau de wetenschappelijke methode gehanteerd wordt, wordt God vaak afgedankt omdat God het product zou zijn van menselijke verbeelding of een projectie van menselijke behoefte.

 

Dat het idee van God, traditioneel beschermd en voorgeschreven door religieuze instituten, uitgedaagd wordt, heeft de religieuze zelfgenoegzaamheid diep verontrust en aan het wankelen gebracht. Religieuzen moesten de fundamentele betekenis heroverwegen van wat zij zo lang aangenomen hadden en wat zo lang in hun sociale machtsstructuren geïntegreerd was. Met de komst van de seculiere eeuw veranderde het speelveld waarop religie en andere belangrijke instituties elkaar tegenkomen. Religie kan niet langer automatisch sociale of politieke privileges claimen. Zij moet met zichzelf in gesprek gaan en op haar functioneren beoordeeld worden. De Dalai Lama zegt dat de test voor alle religies is of ‘zij de mens aardiger maakt’. Dat is een gerechtvaardigde hoewel lastige test.

 

In antwoord op deze enorme verandering die heden ten dage plaatsvindt, wordt het Christendom uitgedaagd zijn eigen traditie drastisch te heroverwegen en dat betekent, dat het gedwongen wordt terug te keren tot zijn wortels. De vernietigende woorden van kardinaal Martini dat de kerk uit de tijd is en zich opnieuw moet verbinden met de spirituele behoeften van de moderne wereld verwoorden zondermeer een heldere waarheid. Het zijn echter woorden die, in elk geval sinds het Concilie, niet vaak door de kerkleiders worden uitgesproken. Toch is het niet echt nieuw dat de Kerk de behoefte voelt om naar haar oorsprong terug te gaan. In andere belangrijke periodes van vernieuwing zoals de hervormingen van de 11de eeuw, die zich bezighielden met de liturgie en de theologische relatie tot de moderne tijd, heeft men zich ook willen bezinnen op de oorsprong. Als er een derde oecumenisch concilie zou plaatsvinden, zou deze zich misschien eveneens beraden op het spirituele aspect van de kerk en haar begrip over en beoefening van gebed. We bevinden ons al in een tijdperk dat de diepe en lang verwaarloosde aspecten van onze spirituele traditie teruggevonden heeft.” (Laurence Freeman OSB)

 

(wordt vervolgd)

Lesbrief 3.39 - De traditie en beoefening van Christelijke Meditatie (2)

De traditie en beoefening van Christelijk Meditatie (2)
door Kim Nataraja

 

Vervolg inleiding Laurence Freeman: “De grote hedendaagse theologische denkers en geestelijke leiders – Rahner, Balthaser, Lonergan, Merton, Main, Griffiths – hebben zich duidelijk uitgesproken over een mystieke benadering ten aanzien van de crisis van het Christendom in een seculiere wereld. Achtereenvolgende pausen hebben – gedurende en sinds het Concilie – het behoud van een contemplatieve dimensie van het geloof als kernpunt op hun pastorale agenda geplaatst.

 

Contemplatie moest opgevat gaan worden als een speciale roeping in de kerk. Het werd gezien als een bijzondere roep van God tot een kleine elite en werd gewoonlijk in een klooster geleefd – hoewel grote verlichte geesten als Franciscus van Assisi, Catharina van Siena of de Begijnen van Noord Europa er niet in slaagden gewone kloosterlingen te worden en hun mystieke visie temidden van de mensen en het dagelijks contact met de wereld leefden.

 

Aangekomen op een hoogtepunt in de opleving van de contemplatieve traditie van het Christelijke geloof, wordt deze traditie teruggebracht binnen de Christelijke roeping – de universele oproep tot heiligheid, zoals het Concilie het noemde, die gelijk is voor zowel hen die monastiek leven, als voor leken die leven in de seculiere wereld. In het onderricht van Christelijke meditatie aan kinderen zien we een prachtige en logische ontwikkeling van dit proces en ook een teken van diepgaande hoop voor de kerk van de toekomst.

 

Graag wil ik een overzicht van deze traditie geven en een opmerkelijk eenvoudige beoefening van het contemplatief gebed beschrijven, dat geworteld is in de traditie. Ik presenteer het zodanig dat het aantoont hoe universeel het is.

 

Het is niet irrelevant dat meditatie zo oud is als de mensheid, voor zover dat opgetekend is. De eerste verwijzingen komen uit India rond 2500 voor Christus. Het staat centraal in het onderricht van de Boeddha. Judaïsme heeft zijn traditie van mystiek gebed. Het karakteriseert de spirituele revolutie van het axiale Tijdperk – de eeuw van Confucius, Lao-Tse, Boeddha, de Hebreeuwse profeten. Jezus komt daaruit voort als hoogtepunt van deze doorbraak in de evolutie van het menselijk bewustzijn. Maar laten we beginnen waar de Christelijke traditie begint – met het onderricht van Jezus. Wat hij over gebed zegt laat zien wat voor leraar hij was.

 

Het is duidelijk dat Jezus over contemplatie onderrichtte. Hij was een diepreligieus mens en richtte steeds de aandacht op het verschil tussen de door de mens ingestelde regels en Gods wet. Hij koppelde moraliteit aan het gebod van de liefde en hij sprak over gebed in termen van innerlijkheid en aanwezigheid. Hij plaatste dit contemplatieve onderricht naast de opdracht om je vijanden lief te hebben. Het morele en spirituele, het mystieke en politieke worden zo verenigd in zijn leringen.

 

In elke ontwikkelde cultuur is een vorm van monastiek leven opgekomen. De Christelijke monastieke beweging ontstond al vroeg, maar trad in het Nabije Oosten – in Egypte en Syrië – vanaf de 4de eeuw op de voorgrond. De uitspraken van de Woestijnvaders, hun uitgezuiverde spirituele wijsheid, vormen nog steeds een grondig fundament voor een toegepaste spiritualiteit, die vooral op de tegenwoordige jeugd grote aantrekkingskracht heeft. Zij vermeden clericalisme en intellectualisme en dit geeft mede vorm aan een kerk die van grote betekenis zal kunnen zijn voor leken, kloosterlingen en voor de contemplatie. De Christelijke woestijn had veel invloed op de westerse kerk door de Conferenties van Johannes Cassianus in de 5de eeuw. Zij zijn van betekenis als één van de pijlers van Christelijke spiritualiteit en Thomas van Acquino had ze op zijn bureau liggen, terwijl hij de Summa schreef. Benedictus liet ze dagelijks lezen tijdens de maaltijden in het klooster.”

 

(wordt vervolgd)

Lesbrief 3.40 - De traditie en beoefening van Christelijke Meditatie (3)

De traditie en beoefening van Christelijke Meditatie (3)
door Kim Nataraja

 

Vervolg inleiding Laurence Freeman: ”In de tweede helft van de vorige eeuw leidden de ‘Conferenties’ van Johannes Cassianus John Main terug naar de meditatiepraktijk in de Christelijke traditie, die hij eerder al ontdekte toen hij als jonge man in het Oosten verbleef. De twee conferenties ‘Over Gebed’ van Cassianus bewegen zich van een algemeen overzicht van de gebedstheologie naar een specifieke aanbeveling hoe er ten diepste mee om te gaan. In ‘Conferentie IX’ beschrijft hij het hele spectrum van gebed – de vele expressies ervan – maar hij laat ook zien hoe al deze vormen samenkomen in het ‘bezield gebed’, de mystieke ervaring van eenheid met het gebed van Jezus zelf. Deze theologie bevindt zich in het hart van de Christelijke meditatie. John Main zag dat we tijdens de meditatie voorbijgaan aan een egocentrische focus op ‘mijn gebed’, waardoor wij in staat zijn te komen tot een levend besef dat het Christelijk gebed gecentreerd is in het gebed van Jezus. ‘We weten niet hoe te bidden, maar de Geest bidt in ons’.

 

In ‘Conferentie X’ beschrijft Cassianus het monologistisch gebed – het gebed van één woord – dat de basis werd van het Jezusgebed in de Orthodoxe Kerk. Om redenen, die hier te veel tijd nemen om uit te leggen, verloor de Westerse Kerk het gevoel voor deze eenvoudige methode die voor de Orthodoxe Kerk, de maatstaf werd en zou blijven voor een levend geloof. Cassianus – door beide Kerken erkend als heilige – beschrijft de formule of mantra als een weg tot de eerste Zaligspreking. Door ‘afstand te nemen van alle rijkdom aan gedachten en verbeelding’ komen we direct tot die armoede van geest, waardoor wij kunnen binnengaan in het Koninkrijk van God – het Koninkrijk of de Godservaring, die volgens Jezus in en onder ons is. Verder beschrijft Cassianus de verschillende gemoedstoestanden waar we doorheen gaan en waar we soms mee moeten worstelen terwijl we steeds weer met vertrouwen en liefde terugkeren naar het woord. We kunnen zeggen dat de hele Christelijke mystieke traditie met haar vele scholen en grote leraren een gevolg is van dit fundamentele inzicht. Op het laatst zegt Cassianus dat zijn eigen meditatiepraktijk niet zo gemakkelijk was als hij had gedacht, maar dat hij hierdoor de Schriften met nieuwe ogen leerde lezen en het leek alsof hij ze zelf had geschreven. Tot slot beaamt hij dat de bijzondere eenvoud van dit gebed van het hart het universeel maakt. Het is niet slechts een gebed voor geschoolden, maar voor iedereen. Nu kunnen we er misschien aan toevoegen – en zoals deze conferentie aantoont – dat het ook voor alle leeftijden is.

 

Zo’n duizend jaar later werd deze zelfde traditie zichtbaar tijdens de bloei van de 14de-eeuwse Engelse mystieke traditie. De Cloud of Unknowing (De wolk van niet weten) werd voor een select publiek geschreven, maar is sindsdien één van de meest invloedrijke en populaire werken over contemplatief gebed in deze traditie. Zijn onderricht over het ‘ene kleine woord’ en het ‘naast je neerleggen van gedachten’ ligt volledig in lijn met de Woestijnspiritualiteit en het onderricht van John Main. Traditie, zoals b.v. een dogma, ontwikkelt  zich en we kunnen zien dat deze gebedstraditie in wezen constant is gebleven. Daarnaast merken we op dat ook de geest van de Kerk evolueert. Iedereen – en niet alleen monniken en nonnen – kan bidden en mediteren. Tegenwoordig is meditatie democratisch. Niemand wordt ervan buitengesloten en als we het beoefenen bevestigen we de universaliteit van het evangelie en van het geloof in Jezus.”

 

(wordt vervolgd)

Lesbrief 3.41 - De traditie en beoefening van Christelijke Meditatie (4)

De traditie en beoefening vanChristelijke Meditatie (4)
door Kim Nataraja

 

Vervolg lezing Laurence Freeman: “Wat meditatie christelijk maakt is ons geloof in Jezus. Het is ook christelijk omdat het gebeurt in een historische en theologische traditie, die direct leidt naar de geest van Christus. Het is christelijk omdat we binnen de gehele context van christelijk gebed en praktijk mediteren. Omdat we met andere christenen mediteren en omdat we door het vuur van geloof en liefde gemotiveerd zijn, stelt het ons in staat het evangelie te verkondigen. Het meditatieonderricht in de moderne wereld is zodoende een vorm van evangelisatie.

 

Meditatie is een eenvoudige oefening van ‘zuiver gebed’. Het vervangt geen andere vormen van gebed. Het geeft deze vormen juist een nieuwe betekenis en vitaliteit. Het vervangt niet de behoefte aan geestelijk leven of theologische lezingen. Het hernieuwt de zelfkennis van de kerk en geeft de theologie een nieuwe scherpzinnigheid en zelfvertrouwen, die betrokken is op de profane en wetenschappelijke wereld. In deze seculiere wereld wordt meditatie stevig gefundeerd door wetenschappelijk en medisch onderzoek. Het wordt beschouwd als weldadig voor onze lichamelijke gezondheid en geestelijk welzijn. We kunnen dit ronduit onderschrijven en naar een diepere betekenis wijzen – naar de geestelijke vruchten die meditatie op gang brengt en naar de betekenis en waarheid als ervaring, niet als concept. In meditatie ontdekken we tijdens het proces van onze eigen transformatie en vergoddelijking de betekenis van het menselijk bestaan.

 

Het is eenvoudig. Dit is de reden waarom we het hier hebben over kinderen en meditatie. Maar het gaat om meer dan over kinderen, die baat hebben bij meditatieonderricht in deze traditie. Ook wijzelf herinneren ons de intrinsieke kracht en het wonder van de traditie die ons gevormd heeft en waartoe wij behoren.

Het is echter ingrijpend. Meditatie verandert het leven van degene die het beoefent en van de gemeenschap waarin het in praktijk wordt gebracht. Dit gebeurt eerder door middel van stilte dan door verdeeldheid, omdat het een transformatieproces in de ziel teweegbrengt en disharmonie niet naar buiten toe projecteert. Het resultaat hiervan is dat het de verhoudingen tussen mensen verandert en dit herschikt de macht en de betekenis van gezag. In deze zin is meditatie net zo gevaarlijk en net zo bevrijdend voor het menselijk potentieel als het evangelie zelf.

 

Ik heb geprobeerd in het kort te laten zien hoe deze eenvoudige praktijk tot de christelijke traditie behoort. Heden ten dage wordt ons een weg van radicale eenvoud geboden om vanuit deze traditie opnieuw de wereld in haar diepste crisis tegemoet te kunnen treden met hoop, visie en de liefde van Christus.”

 

Laurence Freeman OSB
Dublin, 2 oktober 2012

Lesbrief 3.42 - Interreligieuze dialoog

Interreligieuze dialoog
door Kim Nataraja

 

Het interreligieuze element dat de Waarheid in alle religies respecteert en zeer wezenlijk voor de houding van de Wereldgemeenschap Christelijke Meditatie, is van het begin af aan al een belangrijke factor geweest in de Christelijke traditie.

 

Tijdens het leven van Jezus was Alexandrië in Egypte reeds een cultureel centrum van betekenis. In de introductie op het derde hoofdstuk over Clemens van Alexandrië in ‘Journey to the Heart”* schreef ik het volgende: “Om met Athene te concurreren stichtte Alexander de Grote indertijd een levendige en kosmopolitische stad met een niet-Christelijke Academie, een fenomenale bibliotheek die alle menselijke wijsheid tot dan toe bevatte en de eerste belangrijke Catechetische School.” Volgens Bisschop Kallistos Ware “was Alexandrië destijds het belangrijkste intellectuele centrum van het Romeinse Rijk, filosofisch en spiritueel levendiger dan de stad Rome zelf.”

 

Een factor die hiertoe bijdroeg was dat Alexandrië het eindpunt van de Zijderoute was, die van China naar Alexandrië liep. Via deze weg reisden niet alleen kooplui, maar ook Griekse en Joodse filosofen, Boeddhistische monniken en beoefenaren van andere religieuze tradities. Ongetwijfeld waren ze tijdens de reis bewust van elkaars verschillende praktijken, zagen ze het effect dat hun geloof op hun gedrag en karakter had en gebruikten hun avonden rond het kampvuur vast en zeker om elkaar te leren kennen en begrijpen. Deze gesprekken vonden ook plaats op de markten, de academie en de filosofische centra van Alexandrië, waaronder de ‘Catechetische School’.

 

De Christelijke Kerk gedijde in Alexandrië. In de eerste eeuwen waren er inderdaad geen vervolgingen geweest, omdat Alexandrië vanuit handelsperspectief te belangrijk was voor Rome. In plaats van verspreide huiskerken waren er al plaatsen van aanbidding gebouwd voor dat doel. In deze ontwikkelde omgeving leek het stichten van een geschikte Catechetische School gepast. Het onderricht aan de catechisanten – zij die gedoopt wilden worden in het Christelijk geloof – werd echter niet strikt beperkt tot het Christelijk geloof, maar werd uitgedragen tegen een achtergrond van een algemene toonaangevende Griekse opleiding in filosofie en wetenschap, met studenten uit de voornaamste culturen die met elkaar in gesprek gingen en uitwisselden. Het Christendom moest op zo’n manier gepresenteerd worden dat het door de Griekse ontwikkelde klasse in Alexandrië geaccepteerd werd. Daar er meer Joden in Alexandrië woonden dan in Jeruzalem zelf, had Philo, een Joods filosoof en tijdgenoot van Jezus, reeds de basis gelegd voor dialoog tussen de Griekse en de Joodse filosofie.

 

Het resultaat van deze dialoog tussen Joodse, Griekse en Christelijke filosofie is erg evident in het onderricht van de vroege Kerkvaders, Clemens van Alexandrië op de Catechetische School en zijn opvolger Origines. Vanuit ons perspectief is het van belang te weten dat aan hun onderricht persoonlijke mystieke ervaringen ten grondslag lagen. Later zou dit door Evagrius, de 4de-eeuwse Woestijnvader als volgt worden verwoord: “Degene die bidt is een theoloog en een theoloog is iemand die bidt.”

 

Het is van wezenlijk belang te onthouden dat dialoog geen uitnodiging tot imitatie is. T.S. Eliot, die vaak andere mystici citeerde in zijn gedicht ‘The Four Quartets’, zegt in zijn ‘Reflections on contemporary poetry’: “We bootsen niet na, we zijn veranderd; en ons werk is het werk van de veranderde mens; we hebben niet geleend, we zijn gescherpt, en we worden de dragers van een traditie.”

 

*Journey to the Heart – Christian Contemplation through the centuries – Edited by Kim Nataraja, Published in 2011 by Canterbury Press in the UK, Orbis in the U.S. and Novalis in Canada.

Lesbrief 3.43 - Jezus als contemplatieleraar

Jezus als contemplatieleraar
door Kim Nataraja

 

In de volgende lesbrieven zou ik graag enkele fragmenten uit ‘Journey to the Heart’ met jullie willen delen. Dit boek is gebaseerd op lezingen, die door verschillende sprekers gehouden zijn tijdens de cursus ‘Roots of Christian Mysticism’. Deze eenjarige cursus van 30 wekelijkse bijeenkomsten vond vier jaar geleden plaats en werd verzorgd door mijn echtgenoot Shankar en mij onder de paraplu van de WCCM in het Christelijke Meditatiecentrum te Londen. Het doel van ‘Journey to the Heart’ (het boek en de cursus) is mediteerders in onze traditie en andere belangstellenden in de Christelijke mystiek in te leiden in het rijke gedachtengoed dat zich door de eeuwen heen voortbeweegt. Daarbij gaven wij het woord aan toonaangevende spirituele leiders als stapstenen op de weg. Het lezen van het boek wordt in hoge mate beschouwd als een spirituele ontdekkingstocht; het is in de eerste plaats niet bedoeld om informatie te krijgen, maar het lezen ervan wordt meer gezien als een groeiproces door kennis te nemen van de wijsheid van deze leraren. Ik hoop dat je door deze fragmenten de smaak te pakken krijgen het hele boek te lezen.

 

Laurence Freeman begint het boek door ons mee te nemen naar de bron van het contemplatief gebed, Jezus. Hij doet dit niet door bepaalde passages uit de Schrift aan te halen, zoals in het verleden gedaan is, maar door te laten zien hoe Jezus onderricht geeft en wie hij in wezen is, waaruit blijkt dat hij een contemplatieleraar is.

 

Laurence begint zijn overwegingen met het verhaal van Maria en Martha: “Jezus komt bij Martha en Maria, twee zussen, op bezoek. Het zijn vrienden van hem. Martha, die het actieve leven belichaamt, verwelkomt hem in huis, terwijl Maria, die het contemplatieve leven symboliseert, aan zijn voeten zit en naar zijn woorden luistert. De tekst vermeldt dat zij zit en daar blijft zitten. Martha echter wordt afgeleid door haar vele taken en ontpopt zich als een soort huistiran door in klaagzang uit te roepen naar Jezus: “Heer, kan het u niet schelen dat mijn zuster mij alles alleen laat doen? Zeg haar mij te helpen!”

 

Martha is duidelijk het hoofdpersonage of de antiheld in dit verhaal. De gewone lezer identificeert zich en sympathiseert met haar. Wie heeft zich bij tijd en wijle niet gevoeld zoals zij? Ze heeft geen prettige bui, maar ze wordt niet veroordeeld door Jezus – of door de verteller of de lezer – omdat ze zo overduidelijk lijdt, eenzaam, boos, paranoïde en overbelast is. Ze voelt zich verlaten. Haar ego is bedroevend opgezwollen en ze denkt dat alles om haar draait. Als we de multitasking Martha nog een taak zouden moeten geven wanneer ze in de hemel is, dan zou dat de patroonheilige van stress moeten worden, waarvan ze alle klassieke symptomen laat zien. Toch probeert ze, achter het zelfdrama, alleen maar een goede maaltijd neer te zetten, gastvrij te zijn. Waarom vraagt ze Maria niet rechtstreeks om hulp? Waarom berispt ze Jezus en wordt ze de enige leerling uit het Evangelie die hem vertelt wat te doen? Deze vragen maken het verhaal op een bepaald niveau van schriftlezing leerzaam voor ons door ons inzicht te geven in de ‘morele betekenis’ ervan. Hoe helpt het verhaal ons ons eigen gedrag te begrijpen? Op een dieper spiritueel niveau, echter, hebben we niet te maken met psychologie, maar met de uiterste ordening van onze menselijkheid. De twee zussen vertegenwoordigen niet alleen de twee persoonlijkheidstypes, maar de twee helften van de menselijke ziel. Dit ligt verborgen in de manier waarop Jezus op Martha reageert.

 

Eerst legt hij Martha kalm en vriendelijk uit, dat ze behoorlijk buiten zichzelf is. Hij zegt haar naam tweemaal om haar tot zichzelf te laten komen. Nu leert ze, hopen we, naar hem te luisteren net als Maria. Hij zegt: “Martha, Martha, wat maak je je bezorgd en druk over veel dingen.” Jezus wijst haar niet terecht, maar diagnosticeert haar probleem door aan te geven hoe vervreemd ze is geraakt van haar andere zelf, haar zuster. Hij vertelt Martha dat ze onhanteerbaar gestrest is geraakt door haar vele taken, terwijl “slechts één ding nodig is.” Hij omschrijft dit ene ding niet nader. Maar, het ‘ene ding’ is ongetwijfeld één te worden, het verdeelde zelf, dat haar woedend en heftig maakte, te re-integreren. Vervolgens verdedigt hij de contemplatieve dimensie van het leven, die routinematig aangevallen wordt door de activistische kant van het verdeelde zelf omdat het nutteloos, niet productief en zelfzuchtig zou zijn. Deze primaire eenheid van de ziel, het evenwicht en de harmonie tussen actie en contemplatie, bepaalt het gehele patroon en de toon van het leven. Als dit ontbreekt dan is elk aspect van het leven gefragmenteerd. In religieuze termen: theologie, gebed, aanbidding zijn door deze innerlijke verdeeldheid alle gebrekkig. Zonder de contemplatieve dimensie degenereert het geloof uiteindelijk tot ideologie en sociale conformiteit. Meer algemeen gezegd: de menselijke geest verwordt tot eenzijdigheid, onevenredigheid en disharmonie. Jezus zegt iets tegen Martha dat misschien verkeerd begrepen wordt: “Maria heeft het beste deel gekozen, en het zal haar niet ontnomen worden.” Hij zegt eigenlijk dat zijn op de eerste plaats komt en dan pas doen. En dit bepaalt de kwaliteit en de doeltreffendheid van al onze acties.

We komen niet te weten hoe Martha hierop reageert. Brengt ze haar armen in wanhoop omhoog en gaat ze weg met slaande deuren, of wordt ze plotseling kalm en doet ze wat ze in eerste instantie had moeten doen en dat is Maria vragen haar te helpen? Het zou de test geweest kunnen zijn voor het werk van Maria. Als zij had gezegd: “Nee, ik contempleer, laat me met rust”, dan zou ze hebben laten zien dat haar werk niet authentiek is. Als ze was opgesprongen en geholpen had, dan zou dit in evenwicht zijn met haar andere kant. Martha’s vergissing, die zowel door culturen en religies als door individuen gemaakt is, bestaat eruit dat ze er niet aan dacht dat Maria ook aan het werk was.

 

We zijn allemaal Martha en Maria. Onze onevenwichtigheid wordt hier door Martha vertegenwoordigd. Zij laat een universeel probleem zien. Het enige wat nodig is, is de twee helften van onze ziel bij elkaar te brengen in vriendschap en evenwicht. Er zijn vele manieren waarop we dit kunnen doen. Het belangrijkst is natuurlijk het werk dat Maria doet te heroveren – Martha was de waarde van de non-activiteit van Maria vergeten: hoewel het lijkt alsof Maria niets doet, werkt en luistert ze en is ze aandachtig en stil.

 

Het verhaal toont ons Jezus als contemplatieleraar, die begrijpt en onderricht dat heelheid sacraal evenwicht en integratie is. Jezus onderwees dit niet alleen in woorden, maar door zijn voorbeeld. We zien dat hij zich, vooral in het Evangelie van Lucas, herhaaldelijk terugtrekt uit de hectiek van het leven, zijn prediking, genezing en reizen en naar rustige plaatsen gaat om alleen of met een paar leerlingen te bidden. (Lc 6:12 (In die dagen ging Hij naar het gebergte om te bidden, en bracht er de hele nacht door in gebed tot God), Lc 9:18 (Eens was Hij aan het bidden, alleen zijn leerlingen waren bij Hem), Lc 22:39 (Hij verliet het huis en ging volgens zijn gewoonte naar de Olijfberg, en zijn leerlingen gingen met Hem mee)) Als er geen balans was geweest in zijn leringen en zijn handelingen, dan zou zijn lering geen gezag hebben gehad. De Christelijke identiteit is zonder meer gebaseerd op deze autoriteit.”

 

Laurence Freeman OSB

 

(Fragment uit ‘Journey to the Heart – Christian Contemplation through the Centuries – an illustrated Guide’ – Samensteller: Kim Nataraja)

Lesbrief 3.44 - De integratie van het menselijke en het Goddelijke

De integratie van het menselijke en het Goddelijke
door Kim Nataraja

 

In het Johannesevangelie wordt de integratie van de twee kanten van ons karakter, het actieve en het contemplatieve, beschouwd als de integratie van onze menselijke en onze Goddelijk kant, zoals Jezus liet zien. Laurence Freeman verduidelijkt dit in het volgende fragment uit ‘Journey to the Heart’:

 

“Het Evangelie van Johannes is het meest mystieke van de evangeliën, maar tegelijkertijd biedt het ons aangrijpende momenten uit het leven van de mens Jezus – wanneer hij op een hete dag moe is en een slok water nodig heeft, wanneer hij huilt om een vriend die gestorven is. Dit vinden we niet in de andere drie boeken van het Nieuwe Testament. Het is een tekst met grote diepte en kracht, maar ook eenvoudig en leesbaar. Bede Griffiths voelde dat zijn leven een nieuwe wending nam nadat hij dit evangelie gelezen had op een intens moment in zijn zoektocht naar diepte en betekenis. Het was duidelijk dat dit één van de belangrijkste werken van de menselijke geest was. Wat de precieze bijdrage ervan ook moge zijn, het was het vastleggen van een ervaring van een onpeilbare diepte. Zowel de geportretteerde mens Jezus als het onderricht waren van een schoonheid voorbij elke menselijke verbeelding. Niets in Plato kon dat evenaren. “Ik besefte dat als ik dit afwees het betekende dat ik de diepste en voornaamste menselijke ervaring verwierp. Aan de andere kant zou het accepteren hiervan mijn hele zienswijze veranderen – het zou een overstap zijn van rede en filosofie naar geloof.” (Bede Griffiths – De Gouden Draad)

 

De mystiek van het Johannesevangelie is nieuw in de wereldgeschiedenis. Zij is niet enkel filosofisch maar integreert vanwege haar visie de hoogste werkelijkheid met de gewoonste aspecten van de menselijke zintuigelijke wereld. Dit wordt niet alleen duidelijk in het Johannesevangelie, maar ook in de brieven die aan Johannes zijn toegeschreven en die verklaren dat het om liefdesmystiek gaat – menselijk goddelijk of goddelijk menselijk, afhankelijk van je vertrekpunt. “Wat bestond vanaf het begin, wat wij hebben gehoord, wat wij met onze ogen hebben gezien, wat wij hebben aanschouwd en onze handen hebben aangeraakt: het woord dat leven is – daarover spreken wij. Ja, het leven is verschenen, wij hebben het gezien, wij getuigen ervan en wij verkondigen het aan u: het leven, het eeuwige, dat bij de Vader was en dat aan ons is verschenen. Wat wij hebben gezien en gehoord, dat verkondigen wij ook aan u, opdat u met ons verbonden bent. En onze verbondenheid is een verbondenheid met de Vader en met zijn Zoon, Jezus Christus. (1 Joh 1,1-3)

 

Ondanks deze overtuiging die het wereldse niet uitsluit, wordt de ‘hoge Christologie’ van Johannes toch gedetailleerd uitgewerkt in de Proloog van het Evangelie waar hij Jezus, de mens, gelijkstelt met de eeuwige Logos. Het verenigen van Woord en vlees is de kernparadox van het Johannesevangelie. Zoals we mogen verwachten van de kerntegenstelling van woord en vlees, is het hele evangelie gebouwd op een paradox. Door de Christelijke mystieke traditie heen maakt het verwoorden van de diepste ervaring gewoonlijk gebruik van de paradox om het onzegbare te zeggen ……. De mens Jezus is het verbindende middelpunt van deze schijnbare tegenstrijdigheden en persoonlijk leerlingschap is de weg waarop dit middelpunt een kracht wordt in je eigen leven …….

 

De mystieke visie van Johannes onderzoekt de hoogste staat van vereniging met God. In de Proloog is de stelling dat het Woord vlees wordt expliciet theologisch. Eigenlijk blijkt dit uit alles wat Jezus zegt, doet en als mens ondergaat, inclusief zijn dood. Hij doet en zegt niets wat niet expliciet zijn (non-dualistische) relatie met zijn Vader weerspiegelt.”

 

Laurence Freeman OSB

 

(Fragment uit ‘Journey to the Heart – Christian Contemplation through the Centuries – an illustrated Guide’ – Samensteller: Kim Nataraja)

 

Lesbrief 3.45 - De geboorte van Christus in de ziel

De geboorte van Christus in de ziel
door Kim Nataraja

 

Meister Eckhart onderschrijft de zienswijze van de vroege Kerkvaders, die ervan overtuigd waren dat we God kunnen ‘kennen’, omdat we wezenlijk iets met het Goddelijke gemeen hebben. Hij noemt dit ‘de vonk’, ‘het kasteel’, of soms ‘de grond’ van ons zijn. Hij gelooft dat we in staat zijn om af te dalen naar deze ‘grond’ van ons pure wezen en ons bewust kunnen worden van onze ware Goddelijke natuur. Zo worden we in Christus herschapen en stijgen we al in dit leven met Hem op tot God. Hij noemt het moment van bewustwording van ons vermogen tot het kennen van God ‘de geboorte van Christus in de ziel’. Met Augustinus deelt hij het belang van deze ervaring, die zei: “Wat baat het mij dat deze geboorte van Christus altijd plaatsvindt als het niet in mij gebeurt? Van belang is het dat het in mij zou moeten gebeuren.” Een essentieel aspect van dit vermogen is het diepmenselijke verlangen naar God, dat door het Goddelijke geplant is in de ‘vonk’ in ons diepste wezen

 

Hij ziet deze ‘geboorte’ als een openbaring. Dit zal zich voordoen, als we ‘onze geest gericht houden op God’. Het is niet het resultaat van enige poging van onze kant, maar puur een gift, een genade: “God alleen moet het doen … en jij moet het ondergaan.”

 

Net zoals Origines en Augustinus noemt hij deze manier van intuïtief kennen, de wijze “waarop God gezien kan worden”, “het oog van het hart”. Hij spreekt over “zuiver geestelijke kennis; daar is de ziel weggeroepen uit alle lichamelijk zaken. Daar horen en zien we met het hart zonder enkel geluid en zonder iets te zien …”.

 

Het intuïtieve vermogen van de geest om God te kennen, de manier waarop we in staat zijn direct contact te hebben met de Goddelijke Realiteit, is onze Goddelijke essentie; maar tegelijkertijd is het ook het element dat ons wezenlijk menselijk maakt. Het geeft ons ook de bekwaamheid om voorbij de gewone geschapen wereld te kijken en tegelijkertijd de schepping als een manifestatie van het Goddelijke wezenlijk te aanvaarden.

 

Meister Eckhart ontkent het belang van onze rationele intelligentie in het geheel niet, hetgeen – gezien zijn hoog-intellectuele educatieve achtergrond en loopbaan – niet verwonderlijk is. Hoewel hij gelooft dat je niet via de rede met God in contact kan komen, beschouwt hij onze rationele krachten als essentieel om onze intuïtieve ervaringen te verhelderen. Hij beschouwt contemplatie als een huwelijk tussen geest en hart.

 

Het belang van zijn onderricht ligt in zijn overtuiging dat het voor iedereen noodzaklelijk is om zich bewust te worden van zijn potentie.

 

De houding die Meister Eckhart hier verwoordt, lijkt erg veel op het onderricht van John Main. Door trouw en vol verlangen onze mantra te herhalen, worden we naar de Stilte geleid, waar de gave, de genade van dit diepe inzicht in de waarlijke Goddelijke natuur van de grond van ons wezen ons gegeven wordt. ”Niets zegt meer over God dan stilte.”

  

(Zie ook het hoofdstuk over Meister Eckhart in ‘Journey to the Heart – Christian Contemplation through the centuries – an illustrated Guide’ – Samengesteld door Kim Nataraja)

Lesbrief 3.46 - Paulus

Paulus
door Kim Nataraja

 

Het onderricht van Jezus, Johannes en Meester Eckhart vertelt ons dat het belangrijk is de twee kanten van onze menselijke natuur te kennen. Het moment dat we beseffen zowel Martha als Maria te zijn en begrijpen dat we zowel een actief ‘ego’ bezitten als een spiritueel wezen zijn, wordt door Meester Eckhart gezien als de ‘Geboorte van Christus in de ziel’. Onze meditatie/contemplatie laat dit zien en integreert de twee kanten van ons wezen. We houden niet op met ‘doen’; het ‘ego’ moet doen waartoe we zijn geroepen, maar ons ‘doen’ wordt bezield door ons ware spirituele ‘wezen’. Johannes gelooft dat Jezus het voorbeeld is van perfecte integratie van het menselijke en het Goddelijke.

 

Deze plotselinge bewustwording van het diepere, belangrijkere deel van ons zijn werd door de vroege Christenen ‘metanoia’ genoemd; een radicale verandering van perspectief op de werkelijkheid. Die van Paulus was buitengewoon, zoals we allemaal weten. Laurence Freeman licht dit als volgt toe:

 

“Zijn bekering was slechts het begin ….. er zijn andere beschrijvingen van mystieke aanraking ….. In hoofdstuk 12 van de Tweede Brief aan de Korintiërs zinspeelt Paulus op een ervaring van ‘weggerukt worden naar het paradijs’ (‘met het lichaam of zonder het lichaam, ik weet het niet – God weet het’), waar hij ‘onzegbare woorden hoorde, die geen mens mag uitspreken’. Het lijkt op Joods apocalyptische mystiek, maar het is ook uniek, vooral omdat het zo duidelijk autobiografisch is. De bedoeling van zijn verhaal is echter niet om ‘op te scheppen’, want daar is hij wars van, maar om erop aan te dringen dat mensen hem moeten beoordelen op basis van wat ze zien – en dat is om zo te zeggen zijn menselijke zwakheid. Wie is hij, deze op zichzelf staande apostel, die zo’n geweldige mystieke genade ontving? Verrassend maar significant – hij is zoals wij. Meteen vertelt hij dat ‘een doorn in zijn vlees gestoken is’ zodat hij niet verwaand wordt, een beproeving die – ondanks zijn gebeden – God niet van hem weggenomen heeft. Hij werd dus zwak en nederig gehouden, terwijl hij gemachtigd werd met een grote richtinggevende genade om zijn missie te vervullen. En hij is trots op de zwakte en roemt niet op de mystieke ervaringen, omdat ‘de kracht van Christus rust op de zwakken en de goddelijke kracht wordt alleen gevonden in menselijke zwakheid’. ‘Want wanneer ik zwak ben, dan ben ik sterk’. (2 Kor 12-10) Hier zien we dat macht ten diepste wordt afgewezen, hetgeen essentieel is voor het mysterie van Christus en een christocentrisch leven. Christelijke mystiek concentreert zich niet alleen op de subjectieve ervaring, hetgeen zo makkelijk het ego kan opblazen, maar meer nog op Gods’ werk in de grotere context van de wereld en de dienst aan anderen. Julian van Norwich staat dus in een grote traditie toen ze begreep dat haar ‘openbaringen van goddelijke liefde’ haar gegeven waren voor het welzijn van anderen.”

 

Paulus verloor nooit de menselijke, de ‘Martha’-kant van zijn natuur. Zijn menselijke kant, verlicht door zijn ware spirituele wezen, bezielde alles wat hij deed. ‘Ik leef niet langer, maar Christus leeft in mij’. Dat inzicht gaf hem de kracht en de vasthoudendheid om anderen de weg te wijzen en te attenderen op het ‘overstijgende’ aspect van ons wezen en op de gehele Werkelijkheid.

Lesbrief 3.47 - Clemens van Alexandrië

Clemens van Alexandrië
door Kim Nataraja

 

Hoe de vroege Kerkvaders de samenhang tussen onze Martha en onze Maria, tussen het ‘ego’ en het ‘zelf’, onze Goddelijk vonk, zagen, wordt voortreffelijk uiteengezet in het onderricht van Clemens van Alexandrië (150-215). We weten eigenlijk erg weinig over Clemens van Alexandrië, net zoals over de meeste opmerkelijke figuren uit de eerste eeuwen van het Christendom. Hij werd rond 150 AD geboren, waarschijnlijk in Athene daar hij zeer goed bekend was met de Griekse cultuur en literatuur. We weten dat zijn ouders heidenen waren en dat hij filosofie studeerde in Athene. Clemens kwam pas later tot geloof. Hij was een bekeerling. Zoals veel jonge zoekers van zijn tijd reisde hij vaak en verkende hij verschillende scholen. Enige tijd voor hij in Alexandrië arriveerde, ontdekte hij het Christendom. Hij voelde zich ertoe geroepen het Christendom te begrijpen tegen de achtergrond van zijn eigen Griekse opvoeding. Hierdoor werd hij de eerste christelijke filosoof/theoloog, die probeerde de mystieke ervaring en de relatie tussen de menselijke ziel en het Goddelijk onder woorden te brengen.

 

Professor Andrew Louth zegt in zijn hoofdstuk in ‘Journey to the heart’: “Het centrale inzicht van Clemens … is een aanvoelen van een menselijke diepte, een aanvoelen dat wat we in werkelijkheid zijn binnenin ons verborgen is en dat we er daarom naar moeten zoeken. Vandaar dat de eerste stap om iets te weten is onszelf te kennen; dus begint een reis van zelfontdekking. Het ‘zelf’’ is de ‘ziel’, hoewel bij Plato en Clemens een specifieker woord wordt gebruikt, namelijk ‘psyche’ wat ‘levenskracht’ betekent. Zij durfden zelfs te beweren dat wij zielen zijn die lichamen bewonen. Zij ontkenden niet dat we zielen en lichamen zijn, maar de essentie van wie we werkelijk zijn wordt gevonden in de ziel.”

 

De Grieken geloofden dat de voornaamste plek van onze ziel de ‘nous’ was, onze intuïtieve manier om de werkelijkheid te begrijpen. Clemens interpreteerde dat in christelijke termen als ‘het beeld van God’ in ons, waar we God ‘gelijken’ en ons daarom met Hem kunnen verhouden. Andrew Louth zegt verder: “Het woord ‘nous’ is moeilijk te vertalen. Gewoonlijk wordt het vertaald met ‘intellect’, maar de moeilijkheid met ‘intellect’ is, dat het niet overbrengt wat in het Grieks bedoeld wordt. Voor Plato betekende de ‘nous’ of de ziel de kern van onze menselijkheid. ‘Nous’ heeft een intellectueel vermogen, maar het was meer dan dat; het had enig gevoel voor de werkelijke waarde van de dingen, kende de Waarheid. In feite is onze ‘nous’ onze ontmoetingsplaats met God. Volgens Plato kon de ziel of de ‘nous’ zich verhouden tot de wereld waarin wij leven met zijn veranderlijke realiteit, én proberen te zien wat achter deze werkelijkheid ligt om het wezen van de Waarheid zelf te ontdekken …. Dan gebeuren er twee dingen. Ten eerste: we treden die Werkelijkheid binnen, hetgeen ons in staat stelt de dingen direct en op juiste wijze te beoordelen. Ten tweede: we ontdekken wie we werkelijk zijn. We ontdekken in onszelf een kern die in staat is zich te verbinden met de Werkelijkheid zelf en die niet afgeleid wordt door de dingen van de wereld. Zij wordt er niet toe verleid een beeld te maken van de wereld. Zo’n beeld is echt alleen maar ons eigen bouwwerk. De manier waarop we graag willen dat de dingen zijn…. In de Werkelijkheid zijn we zuiver spirituele wezens, totaal vrije wezens. En dit ziet hij als afspiegelingen van God.”

 

De ‘nous’ wordt ook gezien als ‘het gebedsorgaan’. Dit benadrukt dat gebed/meditatie ons leidt naar diep stil gebed en de weg is naar een “verbondenheid met de Werkelijkheid, die God is”.

Lesbrief 3.48 - De Goddelijke natuur

De Goddelijke natuur
door Kim Nataraja

 

De vroege Christelijke Vaders legden er de nadruk op dat we God niet kunnen kennen via onze ratio. Geen enkel beeld, concept of naam kan God ooit recht doen. In feite zagen ze het als godslastering om God te benoemen, omdat dat oneindigheid zou begrenzen of het onnoembare zou benoemen. We kunnen, echter, de Goddelijke Aanwezigheid ervaren omdat we iets gemeenschappelijks hebben, zoals we in de vorige brief konden lezen. We kunnen God intuïtief kennen door onze ‘nous’, het nobelste deel van onze ziel, wat ook ons gebedsorgaan is. We zien hier duidelijk hoe John Mains theologie in lijn ligt met deze vroege Christelijke gedachte en we kunnen zelfs beter begrijpen waarom hij zoveel nadruk legt op het belang van het loslaten van gedachten en beelden ten einde de stilte van God te betreden. Het is interessant hoe Clemens van Alexandrië omging met de onmogelijkheid God te kennen via beelden en gedachten. Bisschop Kallistos Ware zegt hierover in zijn hoofdstuk in ‘Journey to the Heart’:

 

“In Clemens mystieke theologie is het goddelijke mysterie het overheersende idee, zijn leidende gezichtspunt. Hij is de eerste grote Christelijke denker die de apofatische (negatieve) theologie gebruikt, waarin God omschreven wordt door te zeggen wat hij niet is. In de katafatische benadering wordt bevestigend, in metaforen, over God gesproken.

 

Om de betekenis van katafatisch en apofatisch te verduidelijken zijn hier wat voorbeelden uit het werk van Meister Eckhart, die bekend staat om het gebruik van beide begrippen:

 

Katafatisch: God is goed’, ‘God is groot’, ‘God is liefde’, ‘God is almachtig’

 

Apofatisch: ‘Je moet Hem liefhebben zoals Hij is: een niet-god, een niet-geest, een niet-persoon, een niet-beeld’

 

Deze laatste methode wordt inderdaad gebruikt door de apofatische mystieke theologen. Ze zeggen niet wat God is, omdat Hij het mysterie is dat voorbij ons begrip ligt. Ze zeggen alleen wat Hij niet is.”

 

Als je consequent meegaat in deze benadering en alle ideeën loslaat die we over God hebben: “dan krijg je besef van het zuivere zijn en dichter bij God kom je niet … God bevindt zich niet in de ruimte, maar Hij bevindt zich boven ruimte en tijd, naam en gedachte. God is zonder grenzen, zonder vorm, zonder naam.” (Clemens van Alexandrië).

Lesbrief 3.49 - Het actieve en contemplatieve leven in de Mystieke Theologie van Origines

Het actieve en contemplatieve leven in de Mystieke Theologie van  Origines
door Kim Nataraja

 

In mijn introductie op het hoofdstuk over Origines in ‘Journey to the Heart’ breng ik het volgende naar voren: “Origines kwam oorspronkelijk uit Alexandrië en was hooggeschoold in de Griekse, Joodse en Christelijke wijsheid. Op de jeugdige leeftijd van 17 jaar werd hij door Bisschop Demetrius van Alexandrië benoemd tot hoofd van de Catechetische School als opvolger van Clemens. Hij was een bijzonder getalenteerde geleerde, een begaafd leraar, en de eerste die – in antwoord op de gnostische theologie en kosmologie – in zijn ‘Over de Beginselen’ een systematische en diepgaande christelijke theorie over de kosmos presenteerde. Hij baseerde deze theorie volledig op een allegorische en mystieke lezing van de Geschriften. Het werd waarschijnlijk geschreven als antwoord op vragen door nadenkende en belezen studenten van de Catechetische School, die de christelijke leer probeerden te begrijpen tegen de achtergrond van Platonische, Stoïcijnse en Gnostische filosofie.”

 

In de volgende brief wil ik graag onderzoeken hoe hij met de Schrift omging, maar in deze brief wil ik verder gaan met het gesprek over de twee kanten van onze natuur. De ene kant staat in contact met de materiele werkelijkheid en de andere met de spirituele werkelijkheid. Dit wordt ons in de orthodoxe traditie duidelijk gemaakt. Bisschop Kallistos Ware zegt: “Origines geeft ons een kaart van het christelijke leven, die in het christelijke Oosten van blijvende waarde is gebleven. Hij maakte een tweevoudig contrast tussen ‘praxis’ en ‘theoria’, tussen het actieve en het contemplatieve leven. Aristoteles maakte dit onderscheid al en het wordt zeker ook gevonden bij Philo en bij Clemens. Het is belangrijk goed te begrijpen hoe deze termen in de oosterse christelijke bronnen werden gebruikt. Wanneer we in het moderne westen praten over het actieve en contemplatieve leven, denken we meestal aan onze externe status. Het actieve leven betekent leven in de wereld, het leven van een sociaal werker, een missionaris of een leraar; het verwijst naar mensen die tot een actieve religieuze orde behoren. Het contemplatieve leven betekent tegenwoordig gewoonlijk een leven in een besloten religieuze gemeenschap, waarbij men zichzelf eerder wijdt aan gebed dan aan uiterlijke dienstbaarheid.

 

Bij de Griekse Kerkvaders verwijzen deze termen echter niet naar uiterlijke omstandigheden, maar naar innerlijke ontwikkeling. Het actieve leven betekent de worsteling om deugden te verkrijgen en om ondeugden uit te roeien, terwijl het contemplatieve leven het zien van God betekent. Dus kan het vaak zijn dat iemand die in een besloten religieuze gemeenschap leeft, zelfs een kluizenaar, nog steeds in het eerste stadium van het actieve leven verkeert. Terwijl het mogelijk is dat een leek, die zich verbonden heeft aan een leven in dienst aan de wereld in het tweede stadium kan zijn en misschien een ware contemplatief is.

 

Bij de Woestijnvaders lezen we bijvoorbeeld, dat Abba Antonius een stem hoorde, die zei: “In de stad woont een leek, een dokter, die net zo heilig is als jullie. Al zijn spaargeld geeft hij aan de armen en driemaal per dag zingt hij de heilige hymne samen met de engelen.” Als je de hele dag een hymne zingt, ben je zeker een contemplatief, maar hier gaat het over iemand, die in een stad een erg veeleisend beroep uitoefent. En toch wordt er over hem gezegd dat hij de gelijke is van de grote Antonius, de Vader van de kluizenaars. Origines koppelt deze twee stadia aan de personages Martha en Maria in Lucas 10: Martha die het actieve leven verbeeldt en zich zorgen maakt over vele dingen, en Maria die zich alleen maar bezighoudt met het enige dat noodzakelijk is.

Lesbrief 3.50 - Origines en de Schrift

Origines en de Schrift
door Kim Nataraja

 

Het zorgvuldig en contemplatief lezen van een kort fragment uit de Schrift is een wezenlijk onderdeel van de Benedictijnse traditie. Hiermee sluiten veel leden van onze communiteit hun meditatietijd wellicht af. De oorsprong van deze manier van lezen ligt in de eerste eeuwen van het Christendom, toen de volgelingen van Jezus probeerden te begrijpen wie hij was en wat zijn onderricht betekende. Origenes was de eerste die de relatie tussen de Schrift, de geestelijke ervaring en het verstaan hiervan duidelijk verwoordde.

 

Professor Andrew Louth zegt in zijn hoofdstuk over Origines in ‘Journey to the Heart’: “Alles wat Origines schreef – en hij was productief – ging over de interpretatie van de Schrift en verscheen in de vorm van commentaren en preken. Dit stond centraal in zijn brede onderricht en zijn mystieke theologie; het vormde in feite het fundament van zijn leer. Waarschijnlijk schreef hij een commentaar op elk Bijbelboek. De meeste zijn helaas verloren gegaan, omdat sommige leringen na zijn dood als ketterij werden beschouwd.

 

Zijn belangrijkste nog bestaande werk ‘Over de Beginselen’ bevat een systematische uiteenzetting over hoe de Schrift te lezen. Veel moderne Bijbelwetenschap houdt zich bezig met de kritische analyse van afzonderlijke woorden. Hoewel Origines hier tot op zekere hoogte in meeging, benadrukte hij het belang van lezen op een dieper niveau en dat betekent dat je je niet alleen maar concentreert op de oppervlakkige betekenis van de tekst. De werkelijke betekenis van Schriftlezing lag voor Origenes in de ontmoeting met Christus; in essentie was het een spirituele ervaring. De stem die we in de Schrift horen is de stem van Christus die tot ons spreekt en ons verstaan van de Schrift is een weg tot eenwording met Hem.

 

De traditie van ‘Lectio Divina’, het langzaam meditatief lezen van de Schrift, dat tenslotte leidt tot het hart van de tekst, zou zijn oorsprong kunnen hebben bij Origenes. Meestal in mystieke taal en via beeldspraak verwoordde hij de ervaring van de ontdekking van de spirituele en theologische betekenis in de Schrift; hij spreekt van een ‘plotseling ontwaken’ of ‘inspiratie’ en van ‘verlichting’. Het is volkomen duidelijk dat het Woord centraal staat in de mystiek van Origenes, en dat het eeuwig Woord in de Schrift gevonden kan worden.

 

Vanuit zijn oogpunt was het Christendom de vervulling van het Oude Testament. Een glimp van de waarheid die Mozes en de profeten zagen, werd werkelijkheid in Christus. Het Oude Testament was de geschiedenis van God met zijn mensen, maar Christus was de waarheid en de sleutel om de Schrift te kunnen verstaan. Als we zorgvuldig het Oude Testament beluisteren, zullen we het Evangelie van Christus horen. Over de liefde van Christus voor zijn Kerk bijvoorbeeld zegt Origenes in zijn voorwoord bij zijn commentaar op ‘Het Hooglied’: “Christus is de bruidegom die ons in liefde zoekt.” De liturgische context is echter nooit ver weg, want de Schrift werd waarschijnlijk vooral gehoord in de kerk en Origenes’ meeste werk bestond uit preken. In de vierde eeuw maakten Basilius van Caesarea en Gregorius van Nazianze een selectie uit de werken van Origenes, de ‘Filokalia’. Aan het begin (in hoofdstuk 6) selecteren ze een fragment waarin Origenes suggereert dat luisteren naar de Schrift vergelijkbaar is met proberen te luisteren naar een symfonie; je bent niet in staat haar te begrijpen als je niet de harmonieprincipes hebt leren kennen. Hoe leren we deze grondbeginselen? Vanuit ons leven als christenen en door de geloofsleer. Als we dit verstaan, kunnen we de harmonie horen.

Lesbrief 3.51 - Origines en de Stadia van de Weg (deel 1)

Origines en de Stadia van de Weg (deel 1)           

 

We zagen hoe Origines de twee manieren van zijn, actief en contemplatief, met Martha en Maria verbond. Hij verfijnt dit later echter en onderscheidt drie stadia, die hij ‘ethica’ (ethiek), ‘physica’ (fysica) en ‘enoptica’ (contemplatie) noemt. Bisschop Kallistos Ware zegt hier in ‘Journey to the Heart’ het volgende over:

 

“‘Ethica’, de eerste fase, sluit aan bij het actieve leven en gaat over het verwerven van deugden. De andere twee zijn beide vormen van contemplatie, maar Origines maakt onderscheid tussen wat hij ‘fysica’ (de contemplatie van de natuur, God zien in zijn schepping, God zien in alles en alles in God) en ‘contemplatie’ (het zien van God) noemt.

 

Deze drievoudige indeling vinden we vooral bij de Egyptische woestijnvader Evagrius van Pontus aan het eind van de 4de eeuw en bij Maximus de Belijder in de 7de eeuw.

 

Als we wat nauwkeuriger bezien hoe Origines, Evagrius of Maximus spreken over deze drievoudige indeling, wordt het duidelijk dat het niet een kwestie is van opeenvolgende stadia, waarbij de ene eindigt voordat de andere begint. Het is eerder een kwestie van zich steeds verdiepende niveaus die elkaar vermoedelijk overlappen, die eerder gelijktijdig zijn dan opeenvolgend. Met andere woorden, het is goed mogelijk dat je je beweegt van het actieve leven naar de contemplatie van de natuur, terwijl je nog steeds je strijd te voeren hebt voor een goed moreel leven. En het is goed mogelijk dat je verder komt en ervaringen hebt met het directe zien van God, maar dat je toch nog de contemplatie van God in de natuur beoefent.

 

Met name Evagrius is van mening dat ‘metanoia’ aan het begin staat van ‘praxis’ (het actieve leven van ‘ethica’). Metanoia betekent letterlijk geestelijke ommekeer ofwel boetvaardigheid/

berouw. Boetvaardigheid is niet een hele hoop schuld of zelfhaat; boetvaardigheid betekent geestelijke ommekeer, een nieuwe manier om naar jezelf, je naaste en God te kijken.

 

In je actieve leven begin je dus daar; dan zoek je loutering van zonden, het zuiveren van ontaarde gedachten. En aan het eind van het actieve leven – en dit is eerder een punt bij Evagrius dan bij Origines – bereik je ‘apatheia’; dit is wat anders dan apathie. Apatheia betekent passieloosheid, onverstoorbaar zijn (onthecht zijn). In negatieve zin betekent dit de uitroeiing van verlangens; in positieve zin betekent het de bekrachtiging van gelouterde en getransformeerde verlangens. Het betekent niet dat we immuun worden voor verleiding, want we gaan ervanuit dat we tot het eind van ons aardse leven oog in oog blijven staan met verleidingen.

 

Wanneer liefde niet enkel meer passie is, beginnen we met lief te hebben. Dit is ongeveer wat Evagrius bedoelt met de kwaliteit van liefde. Daarom betekent ‘apatheia’ niet alleen maar de eliminatie van verdorven verlangens (negatief), maar het vervangen van onze ongeordende impulsen door een nieuwe en betere energie van God (positief). Het betekent dus gezondheid van ziel, transformatie, geestelijke vrijheid.

 

Johannes Cassianus, die het onderricht van Evagrius in het Westen introduceerde in het Latijn, gebruikt de woorden ‘puritas cordis’, zuiverheid van hart, in plaats van het woord ‘apatheia’. Dat heeft het grote voordeel dat het eerder positief dan negatief klinkt, en tevens bijbels is.”

Lesbrief 3.52 - Origines en de Stadia van de Weg (deel 2)

Origines en de stadia van de Weg (deel 2)           

 

Bisschop Kalistos Ware vervolgt:

Als we dus wat gevorderd zijn op het pad van ‘praxis’ of ‘ethica’ en wat dichterbij de ‘zuiverheid van hart’ gekomen zijn, kunnen we met Gods hulp en genade beginnen aan het volgende stadium, hetgeen Evagrius ‘natuurlijke contemplatie’ noemt: God zien in alles, de natuur benaderen als was het Gods boek; elk schepsel zien als een sacrament van de goddelijke aanwezigheid.

 

Misschien kent u het 17de-eeuwse gedicht van George Herbert, dat vaak gebruikt wordt als hymne: “Leer me, mijn God en Koning, om u te zien in alle dingen; en alles wat ik doe, te doen alsof het voor u is.” Dit is nu precies wat Origines en Evagrius bedoelen met de contemplatie van de natuur. Dit wordt ook zo beschreven in het Evangelie van Thomas, een tekst uit de 2de-eeuw: “Til een steen op en je zult mij vinden. Hak het hout in tweeën en daar ben ik.”

 

In de Christelijke context is dit geen pantheïsme, waar God en de wereld samenvallen, maar panentheïsme. De pantheïsten zeggen: ‘God is de wereld en de wereld is God’. De panentheïst zegt: ‘God is in de wereld en de wereld is in God’. Als hij of zij christen is, zal de panentheïst daar echter aan toevoegen ‘God is in de wereld, maar Hij is ook boven en voorbij de wereld; uitermate immanent (innerlijk, inwonend) maar ook volkomen transcendent (bovenzintuiglijk)’. Maar voordat we de transcendentie van God kunnen ervaren, moeten we misschien enig gevoel voor zijn immanentie hebben. We moeten zijn nabijheid eerst voelen, voordat we volledig zijn anders-zijn kunnen ervaren.

 

Dit wordt met het tweede stadium bedoeld: God beschouwen in de natuur en de natuur in God. Er is een mooi verhaal over de Heilige Antonius van Egypte en een filosoof: “Een van de wijze mannen uit die tijd kwam de deugdzame Antonius bezoeken en zei: ‘Hoe kunt u verder, Vader, terwijl u verstoken bent van elke vertroosting van boeken?’ Antonius antwoordde: ‘Mijn boek, filosoof, is de natuur van alles wat geschapen is en het is steeds bij de hand wanneer ik de woorden van God verlang te lezen’.”

 

Met het lezen van Gods boek wordt fysica, de beschouwing van de natuur, bedoeld. Er gaat een verhaal over een hedendaagse kluizenaar van de berg Athos. Hij woonde bovenop een steile helling, zo’n 150 meter boven de zee en hij keek naar het westen. Hij had de gewoonte elke dag op zijn balkon te gaan zitten om naar de zonsondergang te kijken, om de zon in de zee te zien zakken. Het was een prachtig schouwspel.

Op een dag nu voegde een jonge monnik zich bij hem als leerling en de oude man liet hem elke dag op het balkon zitten en naar de zonsondergang kijken. De jonge monnik had een energiek en praktisch karakter. Nadat hij dit enige dagen gedaan had, zei hij tegen de oude monnik: “Waarom moeten we hier elke dag zitten en naar de zonsondergang kijken? Het is een prachtig gezicht, maar we zagen het gisteren ook.” Ze zaten daar elke dag vlak voordat ze de kapel ingingen voor hun nachtofficie, voor de vigilie (de nachtwake).

“Wat doe je als je naar het uitzicht zit te kijken?”, zei de jonge monnik. En de oude man antwoordde: “Ik verzamel materiaal. Ik vergaar brandstof. Ik haal brandhout binnen.” Met andere woorden: voordat hij de duisternis van de kapel binnenging en Gods aanwezigheid zocht in zijn hart door innerlijk gebed, door het Jezusgebed, keek hij uit over de wereld die God gemaakt had en beaamde hij de Goddelijke Aanwezigheid in de hele schepping.

Dit wordt dus bedoeld met de contemplatie van de natuur, maar zeer veel Vaders, waaronder Origines, vonden dit een enigszins negatieve manier. Het is niet alleen maar contemplatie van de wonderen van God in de schepping, maar ook een waarneming van de vergankelijkheid van de wereld en een verlangen daaraan voorbij te gaan. De geschapen orde wordt niet als doel op zich gezien, maar als een trede op een te beklimmen ladder.